Ontdaan van blanke heersershuid; Madison Smartt Bell over de eerste vrije staat van Afrika

Madison Smartt Bell: All Souls' Rising. Uitg. Granta, 530 blz. Prijs ƒ 49,60.

In 1803, lang, zeer lang dus voor de de-kolonisatie van Afrika, werd de eerste vrije staat van voormalige zwarte slaven gesticht op de westelijke helft van het eiland Hispaniola, het huidige Haïti. Het was tot dan een Franse kolonie, een wingewest met suiker als belangrijkste produkt waar de planters onder bescherming van het Franse leger een ongekend wreed bewind voerden. Berichten over de Franse revolutie sijpelden, zij het met grote vertraging, aan het eind van de achttiende eeuw tot het eiland door en na een lange, ingewikkelde strijd bevrijdden de slaven zichzelf onder aanvoering van Toussaint Louverture - die ten tijde van het uitroepen van de onafhankelijkheid overigens al in een kerker in de Franse Jura was bezweken.

Deze gebeurtenissen hebben immer tot de verbeelding gesproken (van Martin Ros bijvoorbeeld, die er het boek Vuurnacht over schreef), vooral ook in relatie tot de deerniswekkende puinhoop die Haïti in de twee eeuwen nadien is gebleven. Voor de Amerikaanse auteur Madison Smartt Bell vormde de opstand de inspiratie voor een monumentale roman waarin met grote verbeeldingskracht het vreselijke oord wordt geschetst.

Hoofdpersoon is - niettegenstaande de titel - Toussaint niet zelf maar de vrijdenkende en scherpschietende dokter Hébert, die op het eiland arriveert op zoek naar zijn zuster Elise en er een kind verwekt bij de mooie mulattin Nanon, met wie hij gaat samenwonen. Dat is een dun verhaallijntje, maar het is dan ook maar een van de vele. De roman behoudt een enorme vaart doordat Bell snel en dikwijls van perspectief wisselt. Belangrijke rollen zijn er ook voor de wrede planter Arnaud, en zijn al even wrede en tevens drankzuchtige vrouw Claudine, die met de exploitatie van haar gekte nog lange tijd erin slaagt de opstandelingen op afstand te houden (door haar eigen vinger af te hakken bijvoorbeeld, en haar haar in brand te steken). Verder is er de seksueel uiterst agressieve Madame Cigny met haar entourage, en naast Toussaint de slaaf Riau, die het uiteindelijk tot kapitein in Toussaints leger brengt.

Het is alleen al een enorme verdienste van Bell dat hij een behoorlijke mate van orde weet te scheppen in de complexe realiteit die de kolonie in die roerige episode was. Een samenleving niet alleen geobsedeerd door de schakeringen van huidskleur, maar waarin tijdens de oorlog zelf wisselende coalities ontstonden tussen de planters en andere machtige kolonisten (de grand blancs), de blanke onderklasse die enthousiast was voor de ideeën van de Franse Revolutie, de creolen, de vrije mulatten (groot in aantal omdat er maar weinig blanke vrouwen op het eiland kwamen), en de slaven, die telkens weer sneller stierven (niet alleen door mishandeling maar ook door zelfmoord) dan ze zichzelf konden reproduceren. Het was, zo schrijft Bell, in de jaren voorafgaand aan de opstand voor de Fransen noodzakelijk 20.000 verse slaven per jaar uit Afrika te importeren om het arbeidspotentieel op een constant niveau te houden. Vandaar de sterke binding met geloof en gebruiken uit het werelddeel van herkomst, die ook nu nog doorleven in de voodoo-praktijken.

In krachtig en zeer beeldend proza beschrijft hij de wreedheden: kruisiging, verkrachting, het op de bajonet spietsen van baby's en foetussen behoren nog tot het mildste dat hier het menselijk lichaam wordt aangedaan. Lees bijvoorbeeld hoe de mulat Choufleur zijn vroegere meester (en biologische vader) Le Sieur Maltrot begint levend te villen. 'Hij maakte een snee als een armband rondom Maltrots pols, vlak boven het koord waarmee hij aan de boom was vastgebonden. Daarna kerfde hij een verticale snee in de handpalm, trok de lapjes huid los van de wittige, vettige laag eronder en begon die toen los te pellen tot aan de vingertoppen alsof hij langzaam een handschoen uittrok.'

Met deze Choufleur, vilein en wrokkig om zijn halfbloed-status, heeft Bell overigens een van de fraaiere portretten van dit boek geschetst. Hij neemt tot de horreur van de blanken de naam van zijn door hem gevilde vader over en draagt diens penis voortaan in een snuifdoosje bij zich - om deze ten slotte kwaadaardig aan de ook door Maltrot bezeten Nanon te schenken.

Op ongeveer driekwart van het boek begint de enorme hoeveelheid research die de auteur over deze fascinerende episode moet hebben gedaan op de vertelling te drukken:die wordt topzwaar van geschiedschrijving en dat doet afbreuk aan het beeldend-genuanceerde dat zijn werk tot dan kenmerkt. Maar dat neemt niet weg dat Madison Smartt Bell (die eerder al zeven romans en twee verhalenbundels schreef) met deze roman iets indrukwekkends heeft verricht.

Het vuur dat Le Cap verteerde, de escalatie van gruwelen in deze gecompliceerde oorlog begaan, zouden in zekere zin de toon zetten voor de verdere geschiedenis van Haïti, zo suggereert Bell in een poëtisch envoi. Een verdwaald stuk Afrika, beheerst door bijgeloof en wreedheid. 'Door zijn misselijkheid en angst heen voelde hij dat hij iets aanschouwde dat veel verder ging dan marteling of moord', realiseert Docteur Hébert zich, als ongewild toeschouwer van hoe Maltrot zo symbolisch van zijn blanke heersershuid wordt ontdaan. 'Hoewel hij het niet kon begrijpen of bevatten, zag hij wat het betekende een mens te zijn, een oprecht onderzoek naar de aard van de mens, niet naar hoe een mens is gemaakt en hoe zijn lichaamsdelen samenwerken, maar naar wat een mens is in zijn essentie(-)'.