Kritische media in Albanië in de mangel

De aanslag op een supermarkt in Tirana op 26 februari, waarbij vier doden vielen, wordt door de Albanese regering als aanleiding gebruikt om onafhankelijke en kritische media aan te pakken.

De kritische en onafhankelijke media zijn het bewind van president Sali Berisha en diens regerende Democratische Partij al lang een doorn in het oog en in dit verkiezingsjaar is die irritatie nog aanzienlijk gegroeid. Een blad als Populli Po is door boetes en hoge belastingen op de rand van de afgrond gebracht. De regering weigert de vergunning voor dit weekblad en veertien andere bladen te vernieuwen. Deze oppositionele bladen hebben een maas in de wet ontdekt en zich als tijdfschrift laten registreren. De regering bestrijdt dat het om tijdschriften gaat en eist achteraf zoveel niet betaald belastinggeld op dat de bladen in hun bestaan worden bedreigd.

De bladen die door overheidsmaatregelen worden getroffen zijn zonder uitzondering oppositiebladen: Koha Jonë, Populli Po, Zëri i Popullit, het blad van de oppositionele socialisten (ex-communisten) en Aleanca, het blad van de Democratische Alliantie, een afsplitsing van de Democratische Partij die nu tot de oppositie behoort. Op 13 februari meldde het kritische blad Koha Jonë (Onze Tijd) dat de Albanese minister van Financiën, Vrioni, een decreet had ondertekend waarin de directeur van de drukkerij Demokracia opdracht kreeg veertien oppositiekranten niet langer te drukken. Volgens Koha Jonë kwam dat decreet neer op een “oorlogsverklaring aan de vrije pers”.

Sindsdien is Koha Jonë het leven steeds zuurder gemaakt. Negen bestelwagens werden in beslag genomen omdat ze gordijntjes voor de ramen hadden, hetgeen kennelijk niet mag. Het blad moet nu auto's huren om de oplage van 30.000 exemplaren te verspreiden. Het blad is beschuldigd geld uit Servische bronnen te hebben aangenomen. Tegen journalisten van dit en andere oppositiebladen zijn rechtszaken aangespannen wegens vermeende laster of het verraden van staatsgeheimen, ze zijn bedreigd en geïntimideerd en ze zijn van tijd tot tijd fysiek mishandeld door aanhangers van de regering. Diverse bomaanslagen tegen oppositionele journalisten zijn nooit opgehelderd. Zo werd op Nikoll Lesi, hoofdredacteur van Koha Jonë, op 1 november vorig jaar een bomaanslag gepleegd. In januari werd de hoofdredacteur van Aleanca in Shkodër in elkaar geslagen.

De ontploffing van de autobom in Tirana op 26 februari vormde voor de regering een aanleiding de 'oorlog' te intensiveren. De oppositiekranten Koha Jonë en Populli Po, die anders dan bijvoorbeeld Zëri i Popullit niet door een belangrijke politieke partij worden beschermd, zijn daarbij het belangrijkste doelwit.

Een dag na de explosie drongen vijftig politiemannen het kantoor van Koha Jonë in Tirana binnen en arresteerden alle 45 aanwezigen, tot en met de schoonmaakster. Bij hoofdredacteur Nikoll Lesi werd huiszoeking gedaan, waarbij een jachtgeweer en een geldkist met de bandjes van een proces tegen twee journalisten werden meegenomen. Twee bewakers werden vastgezet omdat ze zouden lijken op compositieportretten van de vermoedelijke daders van de aanslag. Een week later zag Koha Jonë zich gedwongen de publikatie van twee culturele bladen van het concern waarvan Koha Jonë deel uitmaakt, te beëindigen omdat de distributie door het ontbreken van de bestelwagens te duur was. “Het voortdurende relaas van jarenlange schermutselingen tussen de uitgever van Koha Jonë en de staat heeft zijn eerste slachtoffers geëist”, concludeerde het blad Gazeta Shqiptare afkeurend. De Albanese journalistenbond protesteerde, vergeefs.

Na 26 februari werd ook een journalist van Populli Po opgepakt. De man, Ylli Polovina, had in november vorig jaar naar aanleiding van de bomaanslag op de Macedonische president Kiro Gligorov in Skopje een artikel geschreven onder de kop: “De autobom in Skopje kan zich in Tirana herhalen”. Volgens Populli Po was het artikel een oproep om waakzaam te zijn tegen politiek geweld. Maar de regering oordeelde anders: Polovina zou juist hebben opgeroepen tot geweld. Waarom Polovina dan niet al in november werd opgepakt, is niet uitgelegd. Begin deze week gaf een rechter de regering gelijk: Polovina blijft in arrest.

De oppositiepers wordt er regelmatig van beticht bij te dragen tot de ongebreidelde polemiek waarvan in Albanië sprake is. Beschuldigingen worden gratuit geuit zonder te worden onderbouwd en achtergrondartikelen worden slecht onderbouwd. Die verwijten zijn niet zonder grond. Maar hetzelfde kan worden gezegd van de regeringsgezinde pers. Daarbij laten de regering en haar media ook niet na de oppositie te beschuldigen van alles wat lelijk is. Voor de regeringsmedia staat vast dat de bomaanslag het werk was van voormalige leden van de Sigurimi, de geheime dienst van vroeger, die nu voor de socialisten werken.

De Albanese schrijver Ismail Kadare, Nobelprijskandidaat, noemde onlangs zowel de regering als de oppositie “agressief, wreed, koppig en niet in staat een gemeenschappelijke taal te vinden, zelfs niet over het landsbelang”. Hij heeft in geen van beide partijen veel vertrouwen. “De toestand is niet zo zwart als de oppositie haar afschildert, noch zo rozig als de regering zegt.” Toch is Kadare niet pessimistisch: “De stabilisatie komt er. Maar ze komt vanuit de mensen zelf, en niet van de politici.”