Indonesiërs en Nederlanders samen op expositie

Tentoonstelling: Orientasi/ Oriëntatie/ Orientation. Stedelijk museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. T/m 27 mei. Di t/m vr 10-17u, za-zo 13-17u. Catalogus ƒ 30,-.

Vóór zijn vertrek naar Indonesië droomde Paul Klemann over het Balinese masker op de schoorsteen bij zijn oma. Op Klemanns tekening van die droom hangt de grijnzende Hindoe-god aan een kruis. Terug in Nederland duiken in zijn droomtekeningen allerlei reiservaringen op - de vermenging van culturen blijft echter even persoonlijk als bizar. 'Javaanse maskers van christelijke heiligen' is de titel van een tekening waarop bij de Prambanan, een hindoestaans tempelcomplex in de buurt van Yogyakarta, een enorme monoliet in de vorm van een auto uit de grond komt.

Klemann is één van de tien jonge kunstenaars uit Nederland en Indonesië op de tentoonstelling Orientasi/Oriëntatie in het Stedelijk museum De Lakenhal in Leiden. De expositie die afgelopen zomer in Jakarta te zien was, maakt deel uit van een uitwisselingsprogramma georganiseerd door de Gate Foundation die in Nederland interculturele contacten bevordert en de Cemeti Art Foundation in Yogya.

In het kader van Orientasi gaven Nederlandse deelnemers workshops op academies in Jakarta, Bandung en Yogya. In Nederland hebben ontmoetingen plaats met de kunstwereld en één van de Indonesiërs, Andar Manik, kreeg een beurs voor het Keramisch Werkcentrum in Den Bosch.

Bij de opening van de tentoonstelling vertelde Manik dat zijn eerste bezoek aan Nederland hem vooral confronteerde met de vraag 'Wie ben ik?' Afgietsels van zijn gezicht en lichaam liggen als scherven op de grond. Ze zijn de wat clichématige uitkomsten van dit onderzoek naar de eigen identiteit.

De andere vier Indonesische exposanten verbleven al eerder voor kortere of langere tijd in het westen. Over hun culturele identiteit laten zij echter geen misverstand bestaan.

De eenvoudige houten beelden van Anusapati, die twee jaar in New York studeerde, herinneren aan traditionele gebruiksvoorwerpen als vissersmanden of een boot. Nindityo Adipurnomo die in Amsterdam aan de Rijksakademie studeerde, grijpt terug op de traditionele Javaanse kondé, een haarwrong van vrouwen waaruit hun maatschappelijke status blijkt. Schilderijen van Adipurnomo en Heri Dono waren in 1993 al te zien in de Oude Kerk in Amsterdam op de tentoonstelling Indonesische moderne kunst van de Gate Foundation. Behalve schilderijen tonen beiden in Leiden ook installaties.

Dono's driewielige wagentjes die in slagorde staan opgesteld, herinneren aan Indonesische fietstaxi's, de betjak. De glazen lantaarns bovenop de driewielers zijn voorzien van militaire insignes. Binnenin hangen bleke marionetten die mogelijk verwijzen naar het wajangspel, of naar blanke toeristen.

Terwijl de Indonesiërs op zoek zijn naar aan zinvolle synthese van de eigen culturele achtergrond en de moderne westerse kunst, trekken de Nederlandse kunstenaars zich terug in hun eigen verbeeldingswereld. Het vergt inspanning om door te dringen tot de persoonlijke beeldtaal van Mark Manders en Erzsèbet Baerveldt.

Baerveldt identificeert zich in haar schilderijen, foto's en video's met de bloeddorstige Hongaarse gravin Erzsèbet Bathory (1560-1614). Manders vervaardigt al jaren beelden en introverte tekeningen voor zijn imaginaire Zelfportret als gebouw.

Het meest verrassend op de tentoonstelling zijn eigenlijk die momenten waarop de culturele verschillen er niet langer toe doen. De zwart-wit foto's die Yudhi Soerjoatmodjo over de dood van zijn oma maakte, ontroeren direct. Yudhi Soerjoatmodjo, die als zoon van een diplomaat bijna zijn hele jeugd in Europa woonde, keerde de snelle fotojournalistiek de rug toe om zich te concentreren op ervaringen die voor hemzelf belangrijk zijn.

Hij fotografeerde de oude vrouw in het lege koloniale huis in Jakarta en schreef er korte teksten bij. Het afscheid en sterven van een dierbaar familielid is niet aan plaats of tijd gebonden.