Het lot van de goudmijn

Carolijn Visser: Het goud van Bonanza. Uitg. CPNB. 55 blz. Prijs ƒ 4,95. Verkrijgbaar vanaf 13 maart.

Dertien jaar geleden bezocht de schrijfster Carolijn Visser voor het eerst Nicaragua. Het land werd geteisterd door een burgeroorlog, de sandinistische junta was op het hoogtepunt van zijn macht en de economie stond op instorten. Maar voor Nederlandse socialisten als Ed. van Thijn, die in deze dagen af en aan reisden naar het stamverwante ('stedenband') Managua, leek het paradijs in dit hoekje van de wereld al bijna bereikt. De sceptische berichten die de schrijfster over haar ervaringen in deze krant schreef, werden haar destijds dan ook niet overal in dank afgenomen.

Onlangs is ze op verzoek van de CPNB nog eens naar het goudzoekersland teruggegaan, om te zien wat er sindsdien van geworden is. De sandinistische machthebbers zijn inmiddels goeddeels verdwenen, en de door corruptie en wanbeheer aangestaste economie begint weer uit het slop te komen. In Het Goud van Bonanza, het boekenweek-essay van dit jaar, beschrijft Visser hoe de verschillende partijen in het land op dit moment met een mengsel van opportunisme en idealisme hun wonden likken. Opvallend is daarbij de rol die buitenlanders op de achtergrond nog altijd spelen. Nederlanders, Duitsers, Noordamerikanen en als 'Spanjaarden' aangeduide voormalige sandinisten, iedereen is ook nu weer druk bezig om het land in zijn eigen richting bij te sturen. De enigen die, ook in dit boek, aan de kant staan, zijn de oorspronkelijke bewoners van het land, de Indianen.

Het Goud van Bonanza concentreert zich op de lotgevallen van de goudmijn in het gebied rondom Bonanza. Destijds onteigend door de sandinisten, is de mijn vorig jaar in handen gekomen van een Amerikaanse miljonair, die er een excentrieke mijnbouwkundig ingenieur naar toe heeft gezonden om de zaak weer op poten te zetten. Aan de hand van zijn belevenissen laat Visser onder meer de paradoxen zien van zowel de linkse als de rechtse politiek in dit soort bananenrepublieken.

Ze doet dat op een voorbeeldige manier. Eigen ervaringen worden afgewisseld met achtergrondkennis en beschouwingen. En zoals altijd valt de nadruk op de belevenissen van de individuele medespelers in de conflicten. Ze beschrijft een vrouw die onder wisselende regimes haar bakkerij heeft proberen voort te zetten, iemand die met twee chauffeurs en een oude bus een buslijn exploiteert, en aan de andere kant de sandinist die zich dankzij zijn contacten in het leger nu tot een succesvolle zakenman heeft kunnen ontwikkelen.

De overheersende indruk die uit het boek naar voren komt is dat het menselijk samenleven zich nooit helemaal aan modellen en idealen zal aanpassen. Vissers boek kan daardoor tevens worden gelezen als een aanklacht tegen de Nederlandse diplomaten en ontwikkelingswerkers die destijds de berichtgeving over de sandinistische revolutie probeerden bij te sturen. Dat het boekje nu het officiële essay is van de komende boekenweek, kan in meer dan één opzicht worden betiteld als een gouden greep.