Het halve woord

Het Griekse lied is niet bij uitstek politiek. “Hoe nu?” zal men vragen, “en Theodorakis dan? Die heeft met zijn muziek toch een belangrijke politieke rol gespeeld? Niet voor niets werd zij door de kolonelsjunta verboden.”

Dat is waar, maar het is ook niet toevallig dat zijn hele oeuvre buiten de wet werd gesteld, inclusief de vele 'onschuldige' liedjes als Bootje op het Strand en Ere zij God. (Pogingen daar 'Ere zij het volk' van te maken liepen nooit ergens op uit.) Theodorakis was een politieke figuur en zo kwam het dat al zijn muziek als politieke boodschap werd ondergaan. Natuurlijk ontbreekt het in zijn liederen niet aan woorden als vrijheid, gerechtigheid ('Zon der gerechtigheid, vergeet mijn land niet', op tekst van Nobelprijswinnaar Odysseus Elytis) en ook Griekenland (het prachtig gezongen 'Elláda, Elláda', uit 'De Mars van de Geest' op tekst van de dichter Sikelianos).

Men men zal tevergeefs zoeken naar typisch politieke woorden als democratie, socialisme, verzet, dictatuur, partij of junta. Het woord voor opstand of revolutie, epanástasi, komt ook nergens voor, misschien omdat de kolonels hun staatsgreep zo noemden. Wel is er nogal eens sprake van anástasi, opstanding, een woord dat religieus is geladen maar dat ook politiek kan worden gevuld. Het Griekse publiek, geoefend en subtiel, heeft vaak aan een half woord genoeg en prefereert dat halve boven het hele. Theodorakis en zijn publiek waren volmaakt op elkaar ingesteld.

De componist heeft nogal wat herdenkingsliederen geschreven op prominente doden, maar ook daarin wordt meestal geen naam genoemd. De enige uitzondering is de hymne op de in 1965 bij een protestmars om het leven gekomen student Sotíris Pétroulas, maar de functie daarvan was van korte duur. Hoe mooi het ook door Maria Farandouri werd gezongen, men hoort het de laatste jaren niet meer, in tegenstelling tot een lied als 'De Lachende Jongen', op tekst van Brendan Behan, dat op de moord op Kennedy was geïnspireerd.

In 1963 is de linkse afgevaardigde Grigoris Bambrakis doodgeslagen door een rechtse extremist die op een driewieler met een ketting langs hem kwam. 'Hen die je ziet', heet het lied dat Theodorakis daaraan wijdde, op tekst van Michalis Katsarós: Hen die je ziet zul je weerzien/ je zult ze weer kennen/ de één heet Kostas, de ander Michalis/ ze komen terug met nog grotere trots/ je zult ze weer kennen, weer haten/ één slechts zul je niet meer zien/ de kleinste, de bitterste/ de meest beminde/ de grote, de krachtige/ en de dappere/ hem zul je niet weerzien, niet opnieuw meer kwellen/ zijn grote hart scheuren/ hem behoeden de sterren/ zijn zon of de maan/ op hem wacht alleen ik.

Voor de componisten die tijdens de junta binnen Griekenland bleven was de censuur niet eens zo'n grote ramp. Ze grepen met grote intuïtie terug op het halve woord waaraan het publiek genoeg, en ook behoefte, had. Ik schreef al over Loïzos' succes 'Goedemorgen zon', waarin de zon natuurlijk stond voor vrijheid. Tijdens diezelfde laatste en hardste winter van de dictatuur, 1973-1974, kwam Markopoulos met zijn vrolijke chasápiko 'Ik ga met Tarzan naar de jungle, om geen slaag meer op te lopen'. Al eerder had hij zijn beroemde Halleluja-hymne geschreven: afgezien van het woord voor 'zon' uitsluitend onzintermen.

Na de terugkeer van de democratie kwam er eerst een periode waarin de achterstand rond Theodorakis werd 'ingehaald'. Daarna herleefden voor korte tijd de pertizanenliederen uit de bezetting, maar deze waren niet echt mooi, noch qua tekst, noch qua muziek, die meestal Russisch en soms zelfs Duits aandeed. De hausse kwam voort uit de blijdschap dat nu 'alles kon', want ook vóór de dictatuur waren deze liederen verboden geweest. Maar ze hadden geen functie meer en doofden spoedig uit.

Vervolgens kwam er een periode waarin het honderd procent politieke lied werd beproefd. Een cyclus 'Agrarische liederen' maakte korte tijd opgang, waarin de boeren tot opstandigheid werden opgeroepen. 'Nee, we verkopen niet' werd ook in de stad even een succes. Maar nu is zelfs de componist vergeten.

De toen al populaire zanger Daláras zong een plaat vol op muziek van Loïzos waarin arbeiders tot staking worden opgezet. Op zulke teksten zou Theodorakis nooit componeren. Het is één en al spandoeken, stakingsbrekers die tot andere gedachten worden gebracht, uitmondend in het laatste lied op 'De Rode Boom' die in Athene zal verrijzen. Het waren mooie liederen, maar we horen ze niet meer.

Daarentegen wordt een liedje dat Loïzos vlak voor de dictatuur schreef nog altijd gespeeld, met veel succes, juist omdat de tekst van Kostoula Mitropoulou niet zo expliciet is. Het was een beetje profetisch, en ik stuurde het in maart 1967 op naar Gerard Hulshof van de KRO die in die periode een rubriek had met 'actuele muziek'. Daar kon het nog net worden gespeeld bij de putsch van de 21ste april De weg had zijn eigen geschiedenis/ iemand had haar met verf op de muur geschreven/ het was één woord maar: vrijheid/ maar later zeiden ze dat kinderen dat hadden geschreven/ Daarna rolde de tijd en de geschiedenis/ ging uit de herinnering makkelijk over in het hart/ op de muur stond nu Unieke aanbieding/ hier verkoopt men alle materialen/ Zondags vroeg naar het café/ daarna het voetbalveld, wedden en ruziemaken/ de weg heeft zijn eigen geschiedenis/ ze zeiden echter dat kinderen haar schreven.

En het lied eindigt met het treurigste la la la dat ik ooit heb gehoord. Volgende keer over de politiek in de rebètika.