Groningse inrichting weet geen raad met jonge Marokkanen; 'Ons strafsysteem is te humaan'

GRONINGEN, 8 MAART. Ze hadden sokken gevuld met biljartballen. Daarmee bedreigden de drie Marokkaanse delinquenten van 17 en 18 jaar de rest van de afdeling. Ze kregen ruzie met andere jongens omdat die niet mee wilden doen aan het molesteren van het personeel. Er vielen enkele rake klappen. De politie greep in, want door het agressieve gedrag van het drietal dreigde een onhoudbare situatie. De jongens werden uit de inrichting gehaald.

Het incident speelde zich begin deze week af in het gesloten opvangcentrum Het Poortje in Groningen. Directeur A. Stoetman zegt zich zorgen te maken over de opvang van jeugdige Marokkaanse delinquenten. “Velen minachten het Nederlandse justitiële systeem, maar aan de andere kant weten ze precies wat hun rechten zijn.” De drie probeerden het personeel net zo lang uit te dagen tot ze zouden worden geslagen. Om vervolgens een klacht tegen Het Poortje te kunnen indienen.

Deze jongeren zijn volgens Stoetman niet meer geschikt voor het Nederlandse strafsysteem. “Ze worden steeds minder gevoelig voor de wijze waarop wij het aanpakken. Ons systeem is te humaan. Ze willen een fysieke aanpak.” Adjunct-directeur C. Kooij: “Ze worden hier doodgeknuffeld.” Deze jeugdgevangenis heeft in toenemende mate met onhandelbare Marokkanen te maken. In 1994 was 22 procent van de 192 jongeren in Het Poortje van Marokkaanse afkomst. Vorig jaar was het aantal gestegen tot 25 procent. Dit getal komt overeen met de andere justitiële jeugdinrichtingen, zo blijkt uit cijfers van het ministerie.

Dat juist Marokkanen voor meer problemen zorgen dan andere jeugdige criminelen verklaren Stoetman en Kooij uit het feit dat de Marokkaanse cultuur voor jongeren erg repressief is, repressiever dan bijvoorbeeld de Turkse cultuur. Stoetman: “Daardoor is de minachting voor het Nederlandse strafsysteem zo groot. Als ze na een vlucht worden opgepakt, mogen ze zonder zware straf terugkomen. Dat begrijpen ze niet.” Medewerkers van Het Poortje maakten de laatste jaren studiereizen naar Marokko en Turkije.

De problematiek met Marokkaanse jongeren krijgt van justitie extra aandacht. Een experiment met de Amsterdamse 'behandelinrichting' Amal mislukte in 1994 volledig. Marokkaanse delinquenten werden daar behandeld door Marokkaanse hulpverleners. De gedachte was dat een harde aanpak door mensen uit de eigen etnisch/culturele groep effectief zou zijn. Maar na beschuldigingen dat de hulpverleners de jeugdigen stelselmatig mishandelden, stopte Justitie het experiment.

Desondanks pleit Stoetman er voor de eigen groep bij de behandeling te betrekken, maar niet zo extreem als in Amal. Daar richtte de behandeling zich te eenzijdig op de afkomst van de jongeren, aldus Stoetman. Hij vindt wel dat in de opvang elementen van de cultuur moeten worden opgenomen. Hij zou daarom graag Marokkaanse hulpverleners aannemen, maar die zijn te weinig te vinden. “Die worden trouwens vaak door de jongeren als verraders beschouwd. Zij moeten extra stevig in hun schoenen staan.”

Hij wil dat ouders of andere familieleden bij de heropvoeding worden betrokken. Inrichtingen zouden daar meer open voor moeten staan. “In de Marokkaanse opvoeding zitten heel veel goede dingen. De familiebanden zijn sterk, de zorg voor elkaar is groot, de jongeren hebben er meer respect voor ouderen.” Veel ouders durven niet naar de inrichtingen te komen omdat ze zich voor hun kind schamen. “We moeten een meer uitnodigender houding aannemen om hun kind gezamenlijk weer op de rails te zetten.”

Stoetman en Kooij hebben meegemaakt dat ouders hun kinderen terugstuurden naar het land van herkomst, om daar verder bij familie op te groeien. Kooij: “Niet dat dat dè oplossing is, maar als er geen enkel alternatief is, dan is het misschien niet eens zo'n gek idee.” Een hardere aanpak wordt al snel vereenzelvigd met het toestaan van geweld, zoals in Amal gebeurde. Stoetman wijst dat volstrekt van de hand.

De drie jongens van het incident zijn overgeplaatst naar andere inrichtingen. “Zij zijn al vrij oud. Over hen ben ik somber. Maar voor kinderen van 14, 15 jaar moeten we beter kunnen helpen dan we tot nu toe doen.”