Een op drie pubers gooit boterham weg

AMSTERDAM, 8 MAART. Niet feitenkennis stimuleert pubers gezond te leven, maar de betekenis die ze aan gedrag hechten. Meisjes peuzelen chocolade omdat ze troost zoeken. Jongens eten drop om hun frustraties weg te snoepen. Pubers gooien op school hun van huis meegebrachte boterhammen weg om hun zelfstandigheid te onderstrepen, duidelijk te maken dat alleen zijzelf uitmaken wat ze willen.

Tot deze conclusie komt de psycholoog D. Spruijt-Metz in haar proefschift waarop ze vanmiddag promoveerde aan de medische faculteit van de VU in Amsterdam. Spruijt onderzocht wat scholieren in de leeftijd van elf tot en met achttien jaar voor hun gezondheid doen, of vooral: nalaten. Anders dan medici die zich vooral richten op ongezond gedrag en ziekte, ging de psycholoog op zoek naar gezondheid in de ruimste zin des woords. Ze vroeg in totaal ruim achthonderd leerlingen van elf tot achttien jaar door het hele land naar hun fysiek, mentaal en sociaal welbevinden.

Snel werd duidelijk dat de eigen gezondheid de geënqueteerden nauwelijks raakt. Een op de drie ondervraagden gooit zijn van huis meegenomen boterhammen op school weg. In plaats daarvan eet de leerling in de pauzes junkfood (vette of zoete tussendoortjes), of helemaal niet. Tweederde van de scholieren zegt na schooltijd junkfood te eten. Een op de vijf scholieren zegt regelmatig te laat naar bed te gaan en daarvan problemen te ondervinden.

Bijna de helft van de ondervraagden zegt regelmatig last te hebben van hoofdpijn. Drie van de tien zeggen problemen te hebben met praten over problemen of andere voor hen belangrijke onderwerpen. Een overgrote meerderheid poetst elke dag een keer zijn tanden vanuit gewoonte, niet om hygiënische redenen. Spruijt: “Hygiëne zweeft in het hoofd rond, maar het wat en waarom ontgaat de meesten.”

Van dertien kopzorgen die scholieren bezighouden wezen ze liefde aan als belangrijkste zorg, gezondheid als minst belangrijke. Gezond zijn is voor de scholieren vanzelfsprekend, vond Spruijt. “Middelbare scholieren hebben weinig besef van hun gezondheid. Als ze niet kunnen meedoen met gymnastiek vanwege een verstopte neus, vinden ze dat ze ongezond zijn en dat is vervelend.”

Naarmate scholieren ouder worden en over meer geld, vrijheid en verantwoordelijkheid beschikken, gaan ze zich ongezonder gedragen. Dat doen ze niet beredeneerd maar doordat ze het ongezonde gedrag associëren met voor hen positieve begrippen als zelfstandigheid en vrijheid. Vaak is de logica ver te zoeken.

Een meisje: “Ik rook alleen op feesten. Ik doe het juist dan om te bewijzen dat roken niet slecht voor me is.” Een jongen: “Ik rijd door rood omdat het beangstigt, want ik loop gevaar maar tegelijkertijd ook geeft het zelfvertrouwen.” Een meisje: “Als ik veel snoep heb gegeten, eet ik daarna veel appels en is alles weer oké.” Een jongen: “Ik rook alleen als niemand in de groep het doet, ik ben graag tegendraads.”

Op basis hiervan concludeerde de psycholoog dat je alleen ongezond gedrag kunt tegengaan door te proberen de betekenissen die jongeren daaraan hechten, te beïnvloeden. Aansluitend ontwikkelde ze lesmateriaal voor biologie en verzorging dat scholieren bleek aan te zetten tot gezonder drinkgedrag. Door in het lesmateriaal vruchtensap te koppelen aan 'zelfstandigheid' en melk aan 'vrijheid', verkozen 150 scholieren op Mavo, Havo en VWO van elf tot veertien jaar na twee weken melk en vruchtensap boven chocolademelk en vruchtensap.

Bij 150 leeftijdgenoten die op basis van feitenmateriaal en een opgeheven vinger van de leraar werden gestimuleerd gezonder te drinken, gebeurde dat niet. Zij lieten melk en vruchtensappen staan en bleven onverstoorbaar dezelfde hoeveelheden chocolademelk en frisdranken nuttigen als ze deden voordat ze op de hoogte waren gebracht van de feiten.