Een likje van de kerk; Ondergrondse bouwsels in een Poolse zoutmijn

Nooit eerder was ik in een kerk die helemaal gemaakt is van zout. En nooit eerder was ik in een kerk die zich honderd meter onder de grond bevindt. Nu sta ik ineens in allebei tegelijk. Wieliczka is een dorpje vlakbij de Poolse stad Kraków. In dit dorp, of eigenlijk moet ik zeggen onder dit dorp, is een van de oudste zoutmijnen van de wereld.

Tegenwoordig kun je voor een paar kwartjes een pak zout kopen, maar vroeger was zout heel waardevol, volgens sommigen nog waardevoller dan goud. Mensen deden dan ook veel moeite om zout te vinden en toen er in 1290, dus meer dan 700 jaar geleden, in Wieliczka zout werd ontdekt, begonnen ze al gauw flink te graven.

Het was heel gevaarlijk werk. Als er water in de mijn lekte kon het zout gemakkelijk oplossen en stortte de boel in. En bij het werk in de mijn kwam ook nog methaan vrij, dat is een gas dat snel in brand vliegt. Dus heel vaak waren er ontploffingen. Veel mijnwerkers verongelukten tijdens het werk.

Op een dag kwam iemand op het idee om een van de ondergrondse kamers om te bouwen tot een kapelletje. Voordat de mijnwerkers 's morgens aan het werk gingen, konden ze hier even bidden. Zo hoopten ze dat ze die dag weer levend uit de mijn zouden komen. De oudste kapel werd in 1698 gebouwd. De mijnwerkers maakten alles zelf. Als ze op een bepaalde plek een mooi beeld van een heilige wilden hebben, dan hakten ze dat gewoon uit de muren van zout. De tegels op de vloer werden ook van zout gemaakt, net als het bankje in de hoek en de prachtige boog bij de ingang.

Toen de mijnwerkers zagen hoe mooi hun kapelletje was geworden, kregen ze de smaak te pakken. Iedere keer als een zoutkamer leeg was, of als het te gevaarlijk werd om de kamer nog groter te maken, bouwden ze er een kapel of iets anders. Soms maakten ze bijvoorbeeld beeldhouwwerken die iets vertelden over de geschiedenis van de mijn. En ze vonden het leuk om bezoekers aan het schrikken te maken. Dan zetten ze in een hoekje stiekem een beeld van de geest van de schatbewaarder, die volgens de mijnwerkers nog steeds in de mijn rondspookt.

De mooiste zaal is de prinses Kinga kerk die honderd meter onder de grond ligt. De kerk is maar liefst 54 meter lang, 17 meter breed en 10 meter hoog. Het zout dat daar is uitgehaald, zou volgens mij wel voor honderd jaar genoeg zijn voor iedereen in Nederland. Langs alle muren zijn prachtige schilderijen van zout die vertellen over het leven van Jezus. De mooiste zoutkristallen, die een beetje rose van kleur zijn, hebben ze bewaard voor het kerstverhaal. Ook de trappen waarop je loopt zijn van zout, en de hekken, en het altaar, en de kandelaars waarop de kaarsen branden. Ja, zelfs de lampen bestaan uit honderden grote, heldere zoutkristallen.

Als je tijdens een vakantie een keer in de buurt bent, moet je zeker gaan kijken. Je mag alleen naar beneden als er een gids meegaat. Want de mijn heeft meer dan 2000 kamers en de gangen zijn bij elkaar 200 kilometer lang. Dus je zou er gemakkelijk kunnen verdwalen. Alleen de eerste drie verdiepingen zijn voor het publiek, die gaan tot 130 meter onder de grond. De negende verdieping is de allerdiepste en die ligt 327 meter onder de grond.

De gids vertelt de geschiedenis van de mijn en laat zien hoe ze vroeger het zout naar boven haalden. Ze gebruikten daarbij paarden om de karren te trekken en om de wielen rond te draaien waarmee grote zoutbrokken naar boven werden getakeld. Tegenwoordig gaat het een stuk moderner, maar op twee plekken heel diep in de mijn werken nog steeds paarden.

Wie voor het eerst in de mijn is, kan zich niet voorstellen dat hier echt alles van zout is gemaakt. Maar als we het niet geloven, zegt de gids, dan moeten we maar een likje nemen.