Een godsgeschenk voor Maastricht; Privé-collectie van laatmiddeleeuwse kunst naar Bonnefantenmuseum

Huisaltaren, ivoren luikjes, beeldengroepen en zeldzaam emaille zijn toegevoegd aan de tot voor kort bescheiden afdeling oude kunst van het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Het museum heeft de verzameling van Willem Neutelings in langdurig bruikleen gekregen. “Zelfs als deze beelden nog te koop waren, hadden we ze nooit kunnen betalen.”

Collectie Neutelings. Bonnefantenmuseum, Avenue Ceramique 250, Maastricht. T/m 9 juni. Di t/m zo 11-17u. Publicatie: Een engel in de koffer. 88 blz. Prijs ƒ 32,50. Kunstbeurs: Tefaf. T/m 17 maart Mecc, Maastricht.

Het is een corpus van Christus, een gekruisigd lichaam zonder een kruis. Omstreeks 1900 dook het op in een Belgische rivierbedding. Het beeldje, iets kleiner dan een hand, lijkt uit Afrika te zijn weggespoeld en via een schepeling of, nog avontuurlijker, door zeestromingen uiteindelijk in Vlaanderen terecht gekomen. Want het is zo kernachtig van stijl, zo streng en naïef van vorm, dat het het Westerse verstand te boven gaat. Deze innemende eenvoud is alleen in de Afrikaanse houtsnijkunst terug te vinden.

Maar inmiddels weten we veel meer: er zit niets Afrikaans bij. Een anonieme vakman moet het bronzen corpus achthonderd jaar geleden ergens in de buurt van Mechelen hebben gegoten. Christus houdt zijn lange armen bochtig, maar wijd uitgestrekt; De hele mensheid is nog steeds van harte welkom.

Vermoedelijk was het beeldje destijds op een kruis bevestigd. Gelovigen kusten het in de late Middeleeuwen alsof hun leven er van af hing. Misschien komt dat kruis nog eens ergens anders te voorschijn. Misschien ook niet, want de Beeldenstorm heeft in de Nederlanden grondig huisgehouden. En in de daaropvolgende eeuwen is niet iedereen zuinig met zijn spullen omgesprongen, zelfs niet met een corpus.

Het beeldje ligt nu in een vitrine in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, tentoongesteld met 130 andere voorwerpen uit de twaalfde tot en met de vijftiende eeuw. Willem Neutelings (1916-1986) kocht bijna al deze stukken aan in een relatief korte periode van een jaar of vijftien. Hij koesterde zijn collectie in zijn privé-woning. Opscheppen over zijn bezit was hem vreemd. Musea deden voor bruiklenen nauwelijks een beroep op hem. Alleen een paar handelaren wisten hem te vinden.

“Het is een godsgeschenk”, zegt Alexander van Grevenstein, directeur van het Bonnefantenmuseum. Onlangs heeft dit museum de collectie van Willem Neutelings in langdurige bruikleen gekregen. De erfgenamen overwegen alle, soms zeer kostbare, stukken uiteindelijk aan het museum te schenken.

Vanaf vandaag pronkt het Bonnefantenmuseum met zijn bruiklenen, èn met de vier uitzonderlijke ivoren die het Rijksmuseum in Amsterdam dankzij de familie Neutelings aan zijn kleine deelcollectie van vijftien stuks kon toevoegen. De laatmiddeleeuwse verzameling in Maastricht is nu uitgebreid met complete huisaltaren, altaarfragmenten van hout en albast, ivoren tweeluikjes en delen van drieluikjes, beeldengroepen en vrijstaande sculpturen van koperachtig geelgietwerk, vijf eeuwen geleden gemaakt in Luik. De sculpturen lopen sterk uiteen: van een reliekhouder in de vorm van een arm met een gaaf gesneden hand tot een knusse, vergulde ontmoeting van Maria en haar moeder Anna, die het kindje Jezus een appeltje toestoppen.

Uit het Franse Limoges is het blauw-groene emaille afkomstig, verwerkt in dertiende-eeuwse doosjes, reliekschrijnen, en in zogeheten kromstaven, de manshoge 'juwelen' van kerkelijke leiders, waarin bonkige edelstenen schitterden. Samen met de ivoren wordt dit emaille, waar je aan het begin van de tentoonstelling gemakkelijk aan voorbijloopt, tot de zeer zeldzame kleinoden gerekend.

“Het is op het gebied van de middeleeuwse kunst één van de beste particuliere collecties ter wereld”, vertelt Van Grevenstein. “We kunnen ons nu meten met het Catharijneconvent in Utrecht, met deelcollecties van het Rijksmuseum in Amsterdam en met enkele Duitse musea. In Frankrijk, Italië en Duitsland zijn meer privé-verzamelingen van middeleeuwse kunst te vinden. In Nederland schijnen er hooguit twee te zijn, maar niet van deze omvang en van dit niveau.”

Huiselijk

Tien jaar geleden besloot het Bonnefantenmuseum de oude kunsten te beperken tot de beeldhouwkunst uit de Rijn- en Maaslandse gewesten, tot de vroege Italiaanse schilderkunst en tot zestiende-eeuwse schilders uit de Zuidelijke Nederlanden als Pieter Aertsen en Joachim Beuckelaer. Van Grevenstein: “We hadden er toen niet van durven dromen dat de afdeling oude beeldhouwkunst in één klap op de kaart zou worden gezet. Want zelfs als deze beelden nog te koop waren, hadden we ze nooit kunnen betalen.” Het Bonnefantenmuseum reserveert jaarlijks 25.000 gulden voor oude kunst. Eén ivoren tweeluikje van Neutelings, in bezit van het Rijksmuseum, brengt nu met gemak vijf ton op, het jaarlijks aankoopbudget van Maastricht voor moderne kunst.

Voor een liefhebber heeft Neutelings een scherp oog ontwikkeld voor hoge kwaliteit, meent Van Grevenstein. “Musea zoeken het vaak in de specialisatie en in het grote formaat. Deze collectie heeft daarentegen een breed en huiselijk karakter en die diversiteit is tegelijk de kracht ervan. Zo is het ook de kracht van de particuliere collectioneur snel beslissingen te nemen. Een museum is daar zelden toe in staat, omdat het eerst bij diverse fondsen moet aankloppen.”

Het Bonnefantenmuseum is vooral dank verschuldigd aan de echtgenote van Willem Neutelings, mevrouw Jeanne Neutelings-Heuts. Terwijl ook buitenlandse musea de collectie in de gaten kregen, gaf zij, met toestemming van haar acht kinderen, de voorkeur aan Maastricht. “Ik ben hier niet ver vandaan in een Limburgs dorpje geboren. Omdat mijn moeder heel jong overleed, werd ik opgevoed door mijn grootmoeder. Aan haar en aan mijn dorp bewaar ik de beste herinneringen. Maar wat belangrijker is: ik weet dat ik handel in de geest van mijn man door de collectie intact te laten en er een museale bestemming aan te geven. Hij zou het niet anders hebben gewild.”

Volgens Henriëtte Simons-Neutelings, de oudste van zes dochters, deden de kinderen er afstand van omdat “de middeleeuwse verzameling iets is wat vader en moeder in hun zorgeloze jaren tot stand hebben gebracht. Het hoort hun toe.” De familie verwacht van het museum, aldus mevrouw Simons, dat deze nalatenschap toegankelijk blijft voor publiek en voor kunsthistorisch onderzoek. Over een jaar of vijf publiceert het museum een bestandscatalogus.

Mevrouw Neutelings is aan enkele objecten zeer gehecht geraakt. Aan een van de piëta's bijvoorbeeld, een favoriet thema van haar man. Vorige week stond het beeld nog in het schemerige museumdepot. Het vijftiende-eeuwse stuk notenhout uit Bourgondië is ongeveer een halve meter hoog. Sommige delen glanzen alsof ze gisteren nog door een horde diepgelovigen zijn gestreeld, andere fragmenten hebben zich teruggetrokken in het blanke patina van de verdwenen verf.

Christus ligt gebroken op de schoot van zijn moeder. Hij slaapt niet, wat menig gelijksoortig beeld doet vermoeden, nee, hij is dood - er is geen redden meer aan. Zijn hoofd is zijdelings naar achteren geknakt en in zijn smalle benen ligt elke spier nutteloos te zijn. Het verdriet van zijn moeder heeft zich naar binnen gekeerd. Haar oogleden wegen zwaar en alleen een lieflijke trek om haar mond vertelt dat '...elke groot pyn bring/ die stilte, peilloos, van versadiging...', zoals Elisabeth Eybers dichtte over Michelangelo's Pietà in Rome. Deze anonieme piëta in Maastricht doet aan diezelfde strofe denken. Ook deze Maria draagt haar zoon als een rotsblok.

“Het is een van de eerste beelden die wij samen hebben gekocht en het laat thuis een leegte achter”, vertelt mevrouw Neutelings. Samen met haar man bezocht ze destijds beurzen en veilingen in binnen- en buitenland. Voor elke aankoop werd haar goedkeuring gevraagd. “Een enkele keer ging hij er alleen op uit, want dan wilde hij geen last hebben van mijn mening”, vertelt ze. “Meestal kregen we het stuk eerst op zicht. Mijn man zette het dan op de schoorsteen met de vraag 'wat vind je er van?'. Ik kon, trouwens, ook wel eens tegenstribbelen als er weer een handelaar met een beeld aan de deur stond: 'Is het niet te groot?', vroeg ik dan meteen; 'anders mag je niet binnenkomen'.”

Ligakoek

Wie Willem Neutelings was - hij overleed plotseling in 1986 - en wat zijn drijfveren waren, laat zich nauwelijks achterhalen. Als jongeman tekende en schilderde hij af en toe, hij fotografeerde ook en speelde piano. Toen zijn vader in 1953 onverwachts weduwnaar werd en die klap nauwelijks te boven kwam, volgde hij hem op als directeur van de Liga Koekfabrieken in Roosendaal. Onder het bewind van de perfectionistische zoon werd het bedrijf geautomatiseerd. De Liga kinderkoek trok met succes de wijde wereld in. Maar na twee fusies zette Neutelings in 1977 definitief een punt achter zijn bestuursfuncties en vanaf dat moment beschikte hij over de tijd en het vermogen om gotische kunst aan te kopen en te bestuderen.

Wie nu in het Bonnefantenmuseum de stukken in chronologische verzamelvolgorde zou kunnen bekijken - ze zijn gegroepeerd naar materiaal - ziet hoe het religieuze aspect, aanvankelijk de motivatie van de zeer introverte collectioneur, ondergeschikt raakte aan een toenemende esthetische verfijning. Neutelings keek steeds beter en leerde steeds meer; over de middeleeuwse merkjes die in het hout werden gestanst - een hamertje voor Brussel, handjes voor Antwerpen en drie paaltjes voor Mechelen; over de vroege, stijve plooival van apostelgewaden, die almaar swingender zouden worden; en over de poppedijne-gezichtjes die de heilige, houten dames in Mechelen kregen toebedeeld.

Via de circa 35 houten fragmenten uit diverse altaren, die de middeleeuwse burger als een bijbels stripverhaal in de kerk te zien kreeg, kwam Neutelings terecht bij dezelfde scènes in het melkwitte albast. Beelden uit deze zwakke steensoort, waarbij elke misslag van de beitel desastreus is, werden vanuit het Britse Nottingham en masse geproduceerd en geëxporteerd. En masse zijn ze ook verloren gegaan, evenals de meeste houten altaren, waarvan meestal een enkel onderdeel is overgebleven.

Het museum stelt nu onder meer een zestig centimeter hoge, rechthoekige Tenhemelopneming tentoon. De vijftiende-eeuwse albasten maagd is omringd door een schare van engelen en een stralenkrans van vleugeltjes, een soort witlofblaadjes. Meestal gaat Maria op dit type beelden zittend de wolken binnen. Maar nu staat ze rechtop, terwijl aan haar voeten een peuter verstoppertje speelt. “Toen we het net in huis hadden, heb ik het beeld met parafine een beetje schoongemaakt. Ziet u daar die rode en blauwe verf? Die heb ik toen onder het vuil ontdekt”, vertelt mevrouw Neutelings terloops.

Haar man verzamelde beslist niet als een bezetene. Vaak liet Neutelings zich adviseren door de kunsthandelaar Bernard Blondeel in Antwerpen. “Anderen kwamen er zelden aan te pas”, zegt zijn vrouw. Elke zaterdag kwam het echtpaar even in Antwerpen langs om aanwinsten te bekijken, want Blondeel hield voor zijn klant in de gaten wat er in Parijs, Londen of New York op de markt verscheen.

Vanaf een Londense veiling kwam via Blondeel een authentiek, Antwerps huisaltaar de collectie binnen. Het lijkt op een soort linnengoedkastje, maar dan anders, want beide deurtjes zijn versierd met idyllische zestiende-eeuwse schilderingen. Op de buitenkant van de luikjes groet een dynamische engel de biddende Maria. Aan de binnenkant schilderde Jan van Dornicke een Visitatie: opnieuw een preutse Maria, maar nu samen met de oudere Elisabeth, moeder van Johannes. Beiden staan in hun eigen sprookjeslandschap.

Nog spectaculairder dan de luiken is het middenpaneel. In een serene driedimensionale poppenkast van vergulde, gotische architectuur, houden Maria, Jozef en een herder zich bij het kind op, terwijl twee minuscule figuurtjes op de achtergrond toekijken. Een van de twee was de opdrachtgever van het triptiek, een geestelijke, die, zoals ook op schilderijen gebeurde, maar al te graag in dit heilige gezelschap, hoe klein ook, acte de présence gaf.

Wederom vanuit Londen is in 1979 ook een Franse engel richting Neutelings gegaan. Het 27 centimeter hoge, statige ivoor maakte volgens Henk van Os, algemeen directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam, deel uit van een altaar en bij toeval ontdekte hij onlangs in het British Museum in Londen een beeld dat tot hetzelfde veertiende-eeuwse ensemble moet hebben behoord. Van Os schreef ter gelegenheid van deze Neutelings-tentoonstelling het boekje Een engel in de koffer, over het leven van de collectioneur en over de iconografische context van superieure stukken uit de verzameling.

Wintertuin

De handelaar Blondeel is inmiddels een andere weg ingeslagen. Hij heeft zich gespecialiseerd in gotische wandtapijten, zoals een wintertuin: vier pergalo-tapijten uit 1600 met een zee aan bloemen, ornamenten en landelijke vergezichten. Vanaf vandaag hangt de wintertuin op de voorname kunstbeurs Tefaf in Maastricht.

“Neutelings was een complexe figuur met een brede belangstelling, en beslist geen naïeve verzamelaar”, vertelt Blondeel. “Als humanistisch katholiek geloofde hij dat kunst het enige is dat overblijft van een beschaving. Ik bracht hem in aanraking met gotische ivoren en meubilair. Voor meubels had hij thuis geen ruimte en hij wilde zijn vrouw beslist niet tot een verhuizing forceren.”

Toen Neutelings begin jaren zestig behoedzaam begon met verzamelen, kon men nog in relatief korte tijd een dergelijke collectie opbouwen. Inmiddels zijn musea veel kieskeuriger geworden en klanten veel wijzer, aldus Blondeel. De prijzen voor topstukken liggen vergeleken met zo'n dertig jaar geleden niet vijf, maar twintig, dertig keer hoger ten opzichte van middelmatige werken. Dat komt door de schaarste en de groeiende vraag naar die categorie.

“Het kopen van kunst is een ontmoeting tussen een liefhebber en een kunstwerk”, vertelt Blondeel bedachtzaam. “Ik heb nooit ingekocht met het oog op mijn klanten, maar met het oog op de kwaliteit van de voorwerpen. Want hoe groter de emotie die ze teweegbrengen, des te gemakkelijker doet de verzamelaar zijn portemonnee open.

“Neutelings en ik reisden langs Europese musea. Ik bracht hem zo met één en ander in aanraking. Soms volgde hij later mijn raadgevingen op, soms niet. Net als de meubels moest hij ook de wandkleden wegens ruimtegebrek uitsluiten. Ik heb hem dus eigenlijk van het belang daarvan niet kunnen overtuigen. Hij was typisch een koper die een strikte, eigen lijn volgde. Naarmate hij langer verzamelde ging hij steeds verder terug naar de oorsprong, naar de twaalfde- en dertiende-eeuwse verfijning.”

Die verfijning wordt bijna tastbaar in de elegante ivoren. Dergelijke diptiekjes, die in een notendop het lijdensverhaal uit de doeken doen, stonden op het nachtkastje van een kloosterling of ze reisden mee in de tas van een adellijke dame. De mini-altaartjes hielpen hen inniger te bidden. De Franse beeldhouwers, werkloos na de bouw van kathedralen met gebeeldhouwde kapitelen en portalen, hebben later letterlijk reliëf gebracht in scènes die ze voor hun ivoren aan geïllumineerde handschrifen ontleenden. Hoe dieper het reliëf hoe waardevoller het ivoor.

In Maastricht stapt de toeschouwer nu een veertiende-eeuws ivoren nisje binnen. Het is een centimeter of drie breed. We wanen ons in een gotische kerk met schaduwrijke zijbeuken. Maria is er net bevallen van een mollige baby. Ze ligt zijdelings op bed, leunend op een elleboog, en lacht haar kind toe. Terwijl de bejaarde Jozef aan haar voeteneinde nauwelijks raad weet met zoveel gezinsgeluk, daalt boven hun minuscule ivoren hoofdjes een stoet engelen neer. Geen van allen heeft nog weet van het volgende tafereeltje, dat in hetzelfde stuk ivoor werd gesneden; een corpus, tussen verraders en een rouwende moeder.