Dronken pa, slapende ma

Kate Atkinson: Behind the Scenes at the Museum. Uitg. Black Swan, 382 blz. ƒ 29,35.

Tot veler verrassing passeerde Kate Atkinson met haar debuutroman Behind the Scenes at the Museum Salman Rushdie met The Moor's Last Sigh en de gedoodverfde winnaar Roy Jenkins met zijn biografie over Gladstone voor de Whitbread Book of the Year Award (met een prijzengeld van ongeveer 50.000 gulden). Het is al te verleidelijk om niet eventjes mee te meesmuilen: de schrijfster begon met romantische fictie voor damesbladen, won een prijsje waar een voorschot op een roman aan vastzat, nam een accountant aan en zette in drie maanden haar eerste roman op papier. Wat begon als een kort verhaal werd een pil van bijna 400 bladzijden. Als winnares van de Whitbreadprijs bevindt ze zich ondertussen in het niet onplezierige gezelschap van Bruce Chatwin, Paul Sayer en Jeannette Winterson. Atkinson is 44, tweemaal gescheiden en heeft twee dochters. Haar favoriete thema's zijn het gezin, moeder-dochterrelaties en de Eerste Wereldoorlog. Voor de tragikomische kanten van een gewoon huishouden heeft Atkinson een scherpe, gestaalde blik. Liefjes gaat het er niet aan toe in de drie familiegeneraties van Behind the Scenes at the Museum, eerder grimmig. Wat een gekrenkte man van de Daily Mail ertoe bracht haar te typeren als 'Kate the-family-is-tyranny Atkinson'.

De roman begint Garp-achtig hilarisch, vanuit een eicelperspectief, als de hoofdpersoon verwekt wordt door dronken pa op halfslapende ma, tussen de eerste en de laatste slag van twaalf uur. Het is mei 1951, ook de geboortemaand van de schrijfster, die de benauwde sfeer van haar jeugdjaren akelig goed weet op te roepen. De humor van rafelige, schurende gezinsrelaties legt Atkinson er dik met de troffel op, wat als tongue-in-cheek bedoeld lijkt, pakt uit als een heel spijsverteringskanaal dat uit de wang puilt. Tussen de chronologisch verlopende jaren tot 1992 door, staan voetnoot-hoofdstukjes over andere familieleden in andere tijden, zodat een wel erg gewild caleidoscopisch familieportret ontstaat.

Aan het begin wordt al aangegeven dat we te maken krijgen met een familie die genetisch bepaald het ongeluk lijkt aan te trekken en inderdaad, de kwetsuren en doden zijn bijna niet te turven. De Grote Oorlog roeit de mannelijke fine fleur uit, de Tweede Wereldoorlog brengt de Duitse bommen aan huis, er wordt verdronken, doodgereden, in de vlammen omgekomen, overspelig gecopuleerd tijdens een trouwpartij tot een fatale hartstilstand, er is borstkanker, een wespenallergie, moord - Atkinson toont zich geen meester van de beperking. De humor raakt al spoedig uitgewerkt, de spanning wordt op- en opgerekt, en pas aan het slot gaat de lezer weer even recht overeind zitten. Atkinsons kracht ligt in het beschrijven van narigheden tussen moeders, dochters en zusjes, van een onromantisch, 'autistisch' soort moederen. Dat had ook korter gekund en had dan zeker beter gewerkt.