Boze gedachten

De tor legde aan de krekel uit hoe hij boos moest worden.

“Nee”, zei hij. “Niet je ogen dichtdoen. Juist openhouden en laten fonkelen. Kijk zo.” Hij liet zijn ogen fonkelen.

“O”, zei de krekel. “Zo.” Hij probeerde ook zijn ogen te laten fonkelen.

“Ja”, zei de tor. “Dat is al beter.” Hij deed een stap naar voren. “En nu dreigend voorover leunen.”

De krekel leunde voorover.

“Goed”, zei de tor. “Het kan wel iets dreigender. Maar het is toch wel goed.” Hij keek de krekel aan en ging verder: “Maar het belangrijkste is dat je ook echt boos bent. Ik bedoel: dat je echte boze gedachten hebt.”

“Ik heb geen boze gedachten”, zei de krekel. “Ik heb nooit boze gedachten.”“Dan moet je ze verzinnen”, zei de tor. “Dat is moeilijk, maar het kan.”

De krekel probeerde boze gedachten te verzinnen.

Hij leunde wel goed en tamelijk dreigend voorover en liet zijn ogen wel fonkelen, maar hij kon geen boze gedachten verzinnen.

“Die heb ik nog nooit verzonnen”, zei hij na een tijd.

“Wat kun je dan wel verzinnen?” vroeg de tor.

“Nou... honing en hazelnoten, en mooi weer... dat kan ik heel goed verzinnen.” Zijn ogen glinsterden toen hij dat zei.

De tor zuchtte. “Daar heb je niets aan”, zei hij.

“Wat nu?” vroeg de krekel.

“Denk maar dat je boos op mij bent”, zei de tor. “Ik heb je verjaardag in de war gegooid, op je tenen gestaan, je vleugels gekneusd, gezegd hoe verschrikkelijk lelijk je bent, krekel, en hoe afschuwelijk je tsjirpt... begin daar maar mee.”

De krekel leunde nog iets dreigender voorover, liet zijn ogen nog iets vuriger fonkelen en dacht dat de tor op zijn verjaardag al zijn taarten omvergooide, met hem danste en op zijn tenen sprong en tegen iedereen riep dat hij, de krekel, toch lelijk tsjirpte... “Lelijk! Lelijk!...”

Hij voelde heel geleidelijk een grote boosheid in zich opkomen en plotseling gaf hij de tor een enorme draai om zijn oren. “Zo!” riep hij. “Die is voor jou!”

De tor viel om en bleef op zijn rug liggen. “Heel goed”, huilde hij. “Heel goed, krekel.”

Hij kon zich niet goed omdraaien.

De krekel was al zijn boze gedachten weer vergeten en tilde de tor op.

“Het spijt me”, zei hij en keek de tor met grote ogen aan.

“Het spijt me?” huilde de tor. “Het spijt me?? Dankjewel, tor! Dat moet je zeggen. Hartelijk bedankt, tor!”

“Dank je wel, tor”, zei de krekel.

De tor maakte een gebaar met zijn hoofd dat betekende dat de krekel maar moest doorlopen.

De krekel knikte, nam een aanloop en vloog weg.

“Hartelijk bedankt, tor!” hoorde hij de tor nog achter zich snikken.

“Hartelijk bedankt, hoor!”

“Hartelijk bedankt, tor!” riep hij.

“Ja!”, schreeuwde de tor.