'Behandelspoorboekje' voor fysiotherapie

Het Amsterdamse ziekenfonds ZAO Zorgverzekeringen mag van minister Borst (volksgezondheid) afwijken van de wettelijke maatregel voor fysiotherapie. Het ziekenfonds en de fysiotherapeuten gaan twee jaar experimenteren met het zogenoemde 'dienstenmodel'.

AMSTERDAM, 8 MAART. Iemand die met een verstuikte enkel in Amsterdam bij een fysiotherapeut binnenkomt, krijgt niet een andere behandeling dan iemand met een verstuikte enkel in Rotterdam of elders. Maar waar een Rotterdamse fysiotherapeut snel begint met de negen door minister Borst toegestane behandelingen, pakt zijn Amsterdamse collega het anders aan. De Amsterdamse zorgverzekeraar ZAO, waarbij 600 therapeuten zijn aangesloten, heeft samen met de Amsterdamse fysiotherapeuten een zogenoemd dienstenmodel ontwikkeld, waarbij de fysiotherapeut niet zozeer aan negen handelingen is gebonden, maar aan spelregels, een soort 'behandelspoorboekje', die de behandelingen inzichtelijker maken - voor patiënt en ZAO en overheid.

Het belangrijke verschil tussen het dienstenmodel en de wettelijke maatregel is dat het model uitgaat van de klachten van een patiënt in het dagelijks functioneren, terwijl de maatregel uitgaat van een medische aandoening, een ziekte die in negen keer behandeld zou kunnen worden. Er hoeft niet altijd intensief behandeld te worden bij een rugpatiënt. Soms is een advies voldoende.

In het dienstenmodel heeft de fysiotherapeut elf diensten tot zijn beschikking, variërend van een eenmalige consult tot een intensieve behandeling. Iedere dienst is gedefinieerd aan de hand van een aantal vast omschreven stappen. Daarin staan omschreven de doelgroep (bijvoorbeeld mensen met acute aandoeningen), het behandeldoel (binnen twee weken weer volledig functioneren) en het aantal noodzakelijke bezoeken aan de fysiotherapeut. Na zeven behandelingen bijvoorbeeld moet iemand met een verstuikte enkel weer zijn dagelijkse activiteiten kunnen verrichten. Zo maar beginnen met behandelen of stoppen bij de wettelijke negen, is er niet meer bij.

G. van Goens, voorzitter van de Amsterdamse vereniging voor zelfstandige fysiotherapeuten en mede-ontwikkelaar van het model: “Het lijkt ingewikkeld maar we presenteren het eenvoudig onder het motto: Je moet zeggen wat je doet, doen wat je zegt en laten zien dat je doet wat je zegt. In de praktijk betekent dat: dat bij binnenkomst in de praktijk een patiënt wordt onderzocht op zijn klachten, dat de dienst die bij deze klacht het beste past besproken wordt met de patiënt, dat de fysiotherapeut het vervolgens ook daadwerkelijk en binnen de afgesproken termijn uitvoert, en, dat de therapeut ten alle tijden in zijn dossier kan laten zien wat hij gedaan heeft wat was afgesproken. In de huidige situatie heeft de fysiotherapeut deze handelwijze misschien wel in zijn hoofd maar inzichtelijk is het voor niemand, noch voor de patiënt noch voor een eventuele waarnemer, verwijzer of verzekeraar.” Het is deze doelmatige aanpak die Borst deed besluiten de ontheffing te verlenen.

De Amsterdamse zorgverzekeraar en de fysiotherapeuten wilden per 1 januari al beginnen met hun experiment, maar kregen daarvoor van Borst geen toestemming. Nu die deze week wel gekomen is, begint men per 1 april.

Zouden andere regio's het 'dienstenmodel' niet graag willen overnemen? Van Goens: “Daar is landelijk al wel over gesproken maar wij benadrukken dat het experiment geen vrijheid-blijheid-model is. We zijn dan wel de limiet van negen keer behandelen kwijt, maar we nemen tegelijkertijd een enorme verplichting op ons. Het model moet nu ook werkelijk gerealiseerd worden. Dat betekent voor de therapeut een enorme administratieve rompslomp omdat je alle stappen binnen de diensten moet vastleggen en beschrijven. Dit moet gebeuren in dossiers waarin iedereen dezelfde paramedische taal gebruikt wat totnutoe voor het overgrote deel van de fysiotherapeuten ongebruikelijk was.”