Aus Liebe

Hoeveel mensen houden van nijlpaarden? Ik bedoel echt houden van, zodat ze steeds moeten zuchten en er 's nachts van wakker liggen?

Zo kende ik er maar één, een meisje. Het is nu alweer een paar jaar geleden, maar voor haar heb ik eens in de Galeries Lafayette in Parijs een groot nijlpaard van peluche gekocht. Zulke peluchen nijlpaarden - zo groot en zo zorgvuldig gemaakt - zag je toen nog nergens anders. Hoe groot? Zo groot als een kind van drie. Donker chocoladepaars, niet helemaal de werkelijke kleur van een nijlpaard, of tenminste niet die van zijn hele lichaam. Nijlpaarden hebben in werkelijkheid ook geen vacht, laat staan peluche, maar een dikke huid met plooien als een baby, en die plooien worden door dat paarsbruine peluche wel weer tamelijk realistisch geïmiteerd. In het echt is het adembenemend, je krijgt maar zelden de gelegenheid het goed van dichtbij te zien.

Voor ons deed die gelegenheid zich voor in de dierentuin van Phoenix Park in Dublin; wat we daar zagen was een dwergnijlpaard en bovendien nog pas geboren: noch daarvoor noch daarna heb ik ooit meer zoiets ontroerends gezien. Hij was niet veel groter dan een biggetje, de rug was chocola, maar de buik, de keel en de oksels waren rose, met een weerschijn van parelmoer, teer als de dageraad aan een Indisch strand. Op dat roze buikje zaten bovendien nog geheime paarsblauwe vlekjes, zoals je wel ziet bij sommige honden, maar nog intiemer. We stonden aan de grond genageld, weerloos, sprakeloos. Zonder aarzelen zou ik dit dier met inzet van eigen leven hebben beschermd.

Zijn snoet alleen al, zo breed en zo goedig, met die bolle lippen als aardbeien, en dat lange gezicht (ook neushoorns hebben dat) dat aan de vorm van een vrouwenlichaam herinnert, met de zachte, wat bijziend kijkende ogen op de plaats van de borstjes, precies het schilderij van Magritte. En dan, ach God, de oortjes, spreekbuizen voor gefluisterde liefdesverklaringen, microfoontjes om slaapliedjes in te neuriën. En weer die kleur, van binnen, als teerzalf die je uitsmeert op een roze huid.

Het onderstel: vier stevige pootjes zoals voor een kast, of meer nog voor een ouderwetse badkuip; het trippelen zou vermoedelijk ook het mooist klinken op badkamertegels. Zo klinkt, zo weet ik toevallig, ook een hangbuikzwijntje in de keuken, maar die hun hoefjes zijn heel anders.

Dat brengt ons op het vraagstuk van het geluid: hoe klinkt de stem van een nijlpaard? In de dierentuin heb ik ze alleen maar horen slobberen. Gisteren hebben we op Internet (http://www.bbcnc.org.uk/tv/The Web), na telkens heel lang wachten, diverse zeldzame dierengeluiden kunnen beluisteren, waaronder de roep van de Nijlkrokodil; maar die van het gelijknamige rivierpaard hadden ze niet.

Nijlpaarden zijn niet bang voor krokodillen. En krokodillen blijkbaar wel voor nijlpaarden. Een paar jaar geleden heb ik eens, ik weet niet meer waar, een ongelofelijke serie foto's gezien, van een krokodil die een soort reebok of gazelle heeft gegrepen die naar de oever was gekomen om te drinken. Die krokodil wordt weggejaagd door een nijlpaard, dat - en nu komt het ongelofelijke - daarna probeert die gazelle weer overeind te helpen. Dat is echt, de foto's laten geen ruimte voor twijfel. Helaas, die arme gazelle had er geen baat meer bij: zijn korte verblijf op de aarde was alweer ten einde. Maar de pogingen van het nijlpaard deden denken aan die van mensen die proberen het slachtoffer van een aanrijding weer op zijn benen te zetten ('als-ie maar weer loopt, dan is-ie weer beter').

Er is een bekende natuurfilm over olifanten die proberen een gestorven kalfje weer op de been te krijgen, maar dat is een eigen kind; de interventie van het nijlpaard ten gunste van die gazelle moet daarentegen berusten op een abstracte beoordeling van de situatie, identificatie met een niet-soortgenoot, d.w.z. beweegredenen van een type dat door biologen altijd minachtend wordt afgedaan als naïeve vermenselijking, typische lekensentimentaliteit, etc. Maar andere verklaringen lijken mij geforceerd en onhoudbaar. Hoeveel gevaar een nijlpaard loopt wanneer het een krokodil confronteert weet ik niet, maar het risico kan niet nul zijn en in die mate is er reden te spreken van een reactie gebaseerd op medegevoel, een niet op eigen soort gericht altruïsme. Er moet iets mis zijn met de veronderstelling dat een dierenbrein tot zoiets niet in staat is.

En dat is dan nog een hoog ontwikkeld beest, een zoogdier met een naar verhouding aanzienlijke hoeveelheid grijze materie. Zoiets zou niet kunnen, zou je zeggen, met een veel lager dier, bijvoorbeeld een vis.

Welnu, ook dat kan ik met stelligheid tegenspreken. Sinds kort. De geschiedenis is als volgt: we hebben sinds een jaar of drie een grote glazen accubak met twee goudvisjes er in, genaamd Esther en Ottilie (niet Athalie; niet wij hebben die namen gegeven maar mijn dochtertje, en niet gebaseerd op de schone letteren maar op bestaande personen). Zij leefden vele jaren in goede gezondheid, welke werd toegeschreven aan onze gehoorzaamheid aan het consigne 'matig voeden'.

Toen kwam de warme zomer van 1995 en Esther werd ziek. Zij ging op de bodem van de bak op haar zij liggen, naar wij vreesden in agonie. Die vrees bleek terecht; sinds alweer ongeveer zeven maanden wacht Esther in een klein grafje in onze tuin op de Wederopstanding. Maar toen zij daar zieltogend op haar zij lag onderging het gedrag van Ottilie een opmerkelijke verandering; zij zwom om Esther heen en probeerde haar langs de wand van de bak omhoog te duwen naar de oppervlakte. Ik heb haar dat zeker drie of vier keer zien doen.

Deze gedraging, die niet in enig mij bekend vissenboek wordt beschreven, veroorzaakte geen enkele verbazing bij de man van onze dierenwinkel: 'Jazeker, dat doen ze, ze trachten zo'n zieke vis naar boven te helpen om zuurstof te krijgen.'

Ottilie is maar heel klein, niet groter dan een ansjovis. Hoe nietig is het brein van zo'n miniatuurwezentje (denk aan Stephen Jay Goulds Evolving Visions)? Hoe, waaruit moet deze hulpverlening worden verklaard? Wat beweegt een dier daartoe? Soms lijkt mij dat wat ons scheidt van een magische wereld waarin de dieren betoverde mensjes zijn niet meer is dan een dun vlies - bijna onzichtbaar, flinterdun, maar oneindig sterk, door niets te doorbreken.