Absint

Als de jongeman de leeftijd des onderscheids heeft bereikt en hem nog niet duidelijk voor de geest staat hoe hij de kost zal gaan verdienen, geeft zijn vader hem tweeduizend gulden. 'Ga naar Parijs, blijf er zo lang je van dit geld kunt leven en als het op is heb je zoveel geleerd dat je weet wat je wilt.' Het is nog voor de Eerste Wereldoorlog en dus heeft de jongen een fortuin op zak. Uit deze gebeurtenis en wat erop gaat volgen vallen veel conclusies te trekken. Daarom vertel ik eerst het verhaal af.

De jongen gaat naar Parijs, huurt een huisje halverwege een sterk hellende straat, de Cascade d'ivrognes, zo genoemd omdat aan het hoge eind twee absintkroegen zijn gevestigd. Precies in het midden staat een paaltje, een soort Amsterdammertje, dat de voetganger tot houvast dient. Als laat in de nacht de kroegen sluiten, wankelt, tuimelt, rolt de klandizie naar beneden en wordt dan even opgehouden door dit paaltje, ongeveer als zeewier in de getijdenstroom een dukdalf in zijn willoze omarming neemt. De jongen kan van dat schouwspel niet genoeg krijgen. Soms wordt een dronkaard aangelokt door het lamplicht in zijn kamer, kruipt erheen, drukt zijn waswitte gezicht tegen het glas, als een vis in nood tegen de wand van het aquarium.

Dan op een nacht komt er iemand aangekropen, ook dronken op de grens van bewusteloos maar overigens volstrekt anders dan de jongen gewend is: een meisje, mooier dan hij ooit in zijn jonge leven heeft gezien. Ze heeft een bontjas aan, doorweekt van de regen. Hij draagt haar zijn huisje binnen, sjort haar voorzover zijn aangeboren fatsoen hem dat toestaat uit haar kleren en wrijft haar warm. De levensgeesten keren terug; tevreden gaat hij slapen.

De volgende dag wordt hij wakker door de geur van verse koffie en gebakken eieren. Zijn gast, weer helemaal verkwikt, heeft het ontbijt gemaakt. Ze wisselen allerlei ervaringen uit, spreken over literatuur, kunnen het opperbest met elkaar vinden. Onnodig te vertellen dat in zijn jongensbrein torenhoge illusies groeien. Tot diep in de nacht duurt het levendig gesprek. Dan gaan de kroegen uit, de waterval der dronkaards begint. Een bijzonder verdoofd exemplaar kruipt naar het verlichte venster en drukt zijn wezenloos gezicht tegen het glas. Het meisje staat op, roept in grote blijdschap: 'Jacques! Jacques!' Ze rukt haar bontjas van de kapstok, stormt naar buiten en de gastheer ziet hoe ze Jacques op de been helpt en met hem strompelend, tuimelend en rollend in de duisternis verdwijnt.

Cascade d'ivrognes is een vroeg verhaal van Belcampo, voor het eerst uitgegeven in eigen beheer, zonder jaartal, ik veronderstel in de jaren twintig. Op het titelblad wordt een drukkerij vermeld, De Arend aan de Weteringschans. Tot zover de bibliofiele bijzonderheden. En nu de conclusies.

Ten eerste is het duidelijk dat we hier een uitzonderlijk aardige en verstandige vader voor ons hebben. Dat hij zijn zoon naar Parijs stuurt is daarvan voldoende bewijs. Hij komt verder dan ook niet in het verhaal voor.

Ten tweede zegt het iets over het verschil tussen toen en nu dat Parijs de aangewezen stad was. Daar kon geen meningsverschil over bestaan. Nu zou je zeggen: Parijs? Waarom niet Berlijn? Of Warschau, Jakarta of natuurlijk New York of El Ee. Parijs heeft zijn vanzelfsprekendheid als eerste reisdoel verloren.

Conclusie drie: het verhaal speelt zich af in de jaren van de absint. Die drank hoort tot de gemeenste brouwsels: 70 tot 80 procent alcohol en bij niet eens zo overmatig gebruik zware, en men zegt ook erfelijke beschadigingen in het zenuwstelsel aanrichtend. Absint was de gesel van het Franse proletariaat, zoals Zola in zijn L'assommoir heeft beschreven. Henri Toulouse-Lautrec is er waarschijnlijk aan ten gronde gegaan. De absint is in Frankrijk bij een wet van 1915 verboden. Het zou een aanleiding kunnen zijn voor president Chirac om de Nederlanders erop te wijzen hoe de Franse staat al heel lang met verdovende gevaren omspringt. Maar Nederland zou dan weer kunnen tegenwerpen dat absint hier al zes jaar eerder, in 1909 niet meer mocht worden gemaakt.

De laatste conclusie. Een jaar of tien, zoniet langer geleden, heb ik dit verhaal van Belcampo weer eens gelezen, en het nu, uit mijn hoofd samengevat. Vast en zeker zal ik het hier of daar bij het verkeerde eind hebben. Bij voorbaat zeg ik: briefschrijvers die me terecht wijzen ben ik dankbaar. Afgezien daarvan: het navertellen van een verhaal is een proef op de verhouding tussen het talent van de schrijver en het geheugen van de lezer. Je kunt er een rekensom van maken, met twee variabelen en een vergelijking. Hoeveel blijft er van een groot/matig/pover talent bewaard in een slecht/matig/ijzeren geheugen? Toets het gereproduceerde aan het oorspronkelijk en bepaal de getrouwheid. Nemen we aan dat er een 'standaardgeheugen' bestaat, zoiets als de meter van platina die toevallig nog in Parijs wordt bewaard, dan is daarmee de wetenschappelijke grondslag voor een rechtvaardige uitreiking van literaire prijzen gegeven.