30 procent aio's na zeven jaar niet klaar

UTRECHT, 8 MAART. Drie van de tien promovendi aan Nederlandse universiteiten slagen er niet in binnen zeven jaar hun proefschrift af te ronden. Dit blijkt uit het rapport 'Kengetallen Universitair Onderzoek 1996' van de vereniging van universiteiten VSNU. Het rapport bevat gegevens over onderzoek aan Nederlandse universiteiten uit de periode 1986 tot 1994.

Sinds 1986 geven universiteiten promovendi een vierjarige aanstelling als assistent in opleiding (aio). Slechts zeven procent lukt het om binnen die vier jaar te promoveren, blijkt uit het VSNU-rapport. Dat lage percentage is deels te verklaren door de tijd die na de voltooiing van het proefschrift nodig is voor de goedkeuring ervan en de wachttijd voor de promotieplechtigheid. Die duurt gemiddeld acht maanden. Na vijf jaar is 35 procent van de aio's gepromoveerd. Een jaar later is dat gestegen tot 55 procent. Van de dertig procent die na zeven jaar nog niet klaar is, wil nog ongeveer vijftien procent toch promoveren. Gegevens over promovendi van de Eindhovense Universiteit tussen 1986 en 1991 zijn niet in het rapport opgenomen, omdat de universiteit die toen niet bijhield.

Het aantal promovendi dat zijn proefschrift afmaakt, verschilt sterk per vakgebied. Bij landbouw, natuur en gezondheid heeft na zeven jaar uiteindelijk 81 procent van de aio's zijn proefschrift voltooid. Bij rechten, sociale wetenschappen en letteren ligt dat percentage rond de 55 procent. Een groot deel van degenen die niet promoveren stopt al in de eerste vier jaar van het onderzoek. Ongeveer zestien procent van de promovendi houdt er binnen die tijd mee op. De meeste afhakers zijn te vinden bij rechten, 35 procent.

Tussen 1986 en 1994 zijn door de universiteiten 10.578 promovendi aangesteld. Tot 1992 werden er elk jaar meer promovendi aangenomen, sindsdien is het aantal nieuwe promotieplaatsen gedaald met 12 procent. De meeste aio's (65 procent) werken op de vakgebieden natuur, techniek en gezondheid.

Het aantal wetenschappelijke publicaties tussen 1986 en 1994 is met vijftig procent gestegen, zo blijkt uit het VSNU-rapport. Het totaal aantal wetenschappelijke publicaties was in 1994 50.386. De tijd die universitair personeel aan onderzoek besteedde, steeg in die periode ook, maar minder snel. In 1994 waren er 14.612 voltijds onderzoeksplaatsen. In 1986 waren dat er nog ongeveer 11.000. Het aantal universitaire onderzoekers is in 1994 met één procent afgenomen ten opzichte van 1993. Sinds 1992 hebben universiteiten bovendien minder opdrachten voor onderzoek van het bedrijfsleven of de overheid gekregen. Vooral bij sociale wetenschappen namen de opdrachten voor contractonderzoek af, namelijk met 35 procent. Ongeveer 12 procent van de onderzoekers bij sociale wetenschappen werkt in opdracht van derden. Bij de vakgebieden landbouw en gezondheid is dat percentage veertig. Ruim een kwart van het universitair onderzoek in 1994 had plaats in opdracht van derden.