Voor hetzelfde geld

In de oude Mavo aan de Kastanjelaan hebben de lokalen aan de gangkant ramen vanaf heuphoogte. Ik loop door de gang en kijk bij m'n collega binnen. Als voyeur, lekker. De collega kijkt terug met een blik van 'hoe vind je m'n ondergoed?' De kinderen zitten in zes rijen vijf diep. Altijd. Je zal een lijf hebben dat opgeleid moet worden voor berenjacht, bessenpluk en voortplanting en je zal maar moeten zitten de hele dag. Mensen zijn kennelijk net zo makkelijk te vervormen als een stukje kauwgum.

Daar zitten ze dus. Met hun boekjes en hun schriftjes en hun agenda's en hun pennenzakjes en hun rugzakken op de grond. Ze schrijven. In de Kastanjelaan zit de docent op een verhoog, waarop een iets scheef geplaatst, een esthetisch vreselijk lelijk scheef geplaatst bureau dat geen naam mag hebben. Al die mensen daar spelen gezamenlijk het meest succesvolle toneelstuk aller tijden: ze spelen KLAS. Ik zou naar binnen willen gaan met veel lawaai en hard willen roepen: “Zullen we iets leuks gaan doen? OF ZULLEN WE IETS VRESELIJKS GAAN DOEN?”

Ik loop door. Tien meter verder hetzelfde uitzicht. 'Hoe vind je m'n ondergoed?' en een vriendelijke armzwaai. Misschien staat er een kind voor het bord. Misschien zit er eentje met z'n hand omhoog. (Vroeger, heel vroeger stak je twee vingers op als je naar het toilet wilde. Hoefde je vieze woorden als toilet en wc niet te noemen. Werd de associatie 'hij staat dadelijk met z'n geslacht in z'n hand' vermeden. In Engeland vraagt een kind niet om naar het toilet te gaan, maar GAAT. Men vindt het daar ongepast er over te discussiëren. Weet u, wat erge leraren zijn? Leraren die zeggen: 'wacht maar tot eind van de les' en dan wel de mond vol over zelfstandig leren.)

Bij mij zitten ze net zo, wij doen ook aan toneel. Als de conrector binnenkomt, denk ik nog steeds: 'ochot, is het wel stil genoeg?' Links vooraan in K2a zitten vier meiden. Je zou die meiden moeten zien naast de jongetjes in dezelfde klas. Wat en half wat, nee, wat en helemaal niks. De meiden provoceren altijd overal iedereen. Ik moet nuchter vriendelijk toegewijd serieus vol innerlijke balans met overtuigingskracht en gezag de meiden tegemoet treden. Het lukt niet. Ik moet mezelf serieus nemen, dan doen zij het ook. Het lukt niet. Ik moet boos worden en het lukt niet.

Soms, heel soms bereik ik zelfs op maandag om twee uur, zelfs met deze meiden, de ideale staat. De klas zoemt. Men schrijft, men overlegt, men denkt, men leert. Ik waak. Nu mogen ze langs komen, de collega's. Kijk eens naar m'n ondergoed.

Dan, als ik bij rij drie sta te dreutelen, is er opeens gerucht. Als ik me omdraai zie ik één van de meiden nog net een lel uitdelen aan een ander. Er wordt geschreeuwd. Naar buiten, roep ik streng, jij naar links en jij naar rechts. Iedereen kijkt blij. Heerlijk, ruzie. Aan het eind van de les neem ik een verhoor af. Hoe lang kennen jullie elkaar? “Vanaf m'n derde, we wonen bij elkaar in de straat.” Zijn jullie vriendinnen? “Ja, maar zij...” “Ja, maar zij...” Er wordt prachtig gehuild. Ik eis twee opstellen.

“Nou, Janneke en ik hadden gewoon ruzie om niks. Tenminste het stelde niks voor. We waren gewoon allebei lastig. En dat reageerden we op elkaar af door elkaar aan te vliegen... Hoe het nu is, nou, we zijn weer dikke vriendinnen...”

“Nou, Amy en ik hadden dus ruzie, en ik werd kwaad, toen sloeg ik haar, toen sloeg zij mij en toen moesten we naar de gang. Voor hetzelfde geld was het een geintje geweest...” Voor hetzelfde geld!