Voodoo

Langzaam, heel langzaam zwelt het gerommel aan. De spellingswijziging, die Nederland en Vlaanderen aanvankelijk zo geruisloos door de keel leek te worden geduwd, blijkt nu het puntje bij het paaltje komt toch brandend maagzuur en oprispingen te veroorzaken bij hoofdredacteuren en andere professionele taalgebruikers. Alleen het ANP heeft nergens last van, maar de adjunct-hoofdredacteur daarvan zat dan ook in de spellingscommissie.

De hoofdredacteuren in Nederland en België hebben inmiddels zulke krampen gekregen, dat zij zich in wanhoop tot de verantwoordelijken hebben gewend, met de vraag wat te doen aan de warboel die nu ontstaan is, met meer verschillende spellinggidsen, meer én onhanteerbaarder regels dan ooit tevoren. Maar waar moeder in zulke gevallen vroeger met een zorgzame pleister of wonderbaarlijk pijnstillend dropje voor ons klaarstond, hullen de verantwoordelijke ministers en de Taalunie zich tot nu toe behoudens een enkele grauw en snauw in ijzig stilzwijgen. Wat moeten ze ook zeggen? 'Vergeef ons, want wij wisten niet wat wij deden', is onacceptabel en lost niets op, maar meer is niet te verwachten. Veel van de ellende is namelijk te wijten aan fundamenteel onbegrip bij opdrachtgevers en uitvoerenden, vooral ten aanzien van het begrip computer.

Computer is het toverwoord waar veel, zo niet alles om draaide bij de Taalunie, maar ook bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in Leiden, dat de woordenlijst voor het nieuwe Groene Boekje zou samenstellen. Was het vorige Groene Boekje, dat in 1954 verscheen, nog vooral de vrucht van de toevallige voorkeur en belangstelling van de redacteuren, dit keer zou het een modern, objectief produkt worden, untouched by human hands. En dus scande het Leidse instituut ijverig duizenden pagina's tekst in, in de ijdele hoop dat zo een representatief beeld van levend Nederlands zou ontstaan. Ook de criteria voor opname werden geobjectiveerd: kwam een woord tenminste viermaal en in tenminste twee teksten voor, dan werd het opgenomen. Zo zou, dacht men, vrijwel automatisch een onbetwistbare woordenlijst zonder toevalstreffers en eendagsvliegen uit de printer komen rollen.

Inmiddels is gebleken hoe naïef die gedachte is. In plaats van toevalligheden en inconsequenties uit te bannen, is de willekeur in de woordenlijst gemaximaliseerd, juist door het ontbreken van voldoende rigoureus menselijk ingrijpen. Uiteraard stond het ingevoerde materiaal bol van doorzichtige samenstellingen, het Nederlands grossiert daar nu eenmaal in. Maar omdat we moeiteloos oneindig veel samenstellingen kunnen maken, blijven de toevallig in het materiaal aanwezige samenstellingen een volstrekt willekeurige greep.

Computers interesseert dat niet, daar zijn ze te dom voor. Maar mensen wel. Die beginnen, zoals we inmiddels in een hele reeks artikelen hebben kunnen constateren, meteen te associëren: Moslimmeisje staat erin? Waarom moslimjongen dan niet? Onderhandelingshuishouding wel, waarom bevelshuishouding dan niet? Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar.

In de Volkskrant verdedigde professor P. van Sterkenburg, de baas van het INL, zich met een verwijzing naar de opdracht die hij van de ministers gekregen had. Zijn woordenlijst moest maar liefst een afspiegeling zijn van de Nederlandse cultuur en samenleving. Met spelling had het, zo stelde hij, 'dus' niets te maken. Nu had een zichzelf respecterend lexicoloog zo'n onzinnige opdracht natuurlijk meteen onder homerisch gelach afgewezen, maar niet Van Sterkenburg. Erger was, dat hij dacht dat ephemere beeld te kunnen samenstellen door wat emmers toevallige tekst in zijn computer te gooien, en dat het INL blijkbaar meent dat representatief hetzelfde is als veel. Het resultaat is onsamenhangender dan een vakantiedia-avondje van de buren.

Wie een beeld wil schetsen moet verbanden leggen, samenhangen opsporen en het relatieve belang van zaken afwegen. De computer is daarbij zo ongeveer het slechtst denkbare hulpmiddel. Alleen als het om betrekkelijk platte, numerieke gegevens gaat, zoals voor marketingdoeleinden gebruikt worden, bestaat er software die tot iets in die richting in staat is. Taal en cultuur liggen eindeloos ver buiten bereik. Op die terreinen kan de computer hoogstens een efficiënte kaartenbak zijn. Wie er autoriteit aan toekent doet niet aan wetenschap, maar aan Voodoo. Die bidt tot de computer, in plaats van er de zweep overheen te leggen. En Voodoo is het, dat moeten we wel concluderen als we Van Sterkenburg zwart op wit zien verklaren dat bij veel woorden de meervoudsvorm ontbreekt omdat die toevallig in zijn databestand niet voorkwam.

Maar ja, zijn opdrachtgever, de Taalunie, maakt het minstens zo bont. 'Door de computer is er een grote behoefte aan uniformiteit. Dan weten automatische spellingcheckers waar ze zich aan moeten houden,' citeerde Warna Oosterbaan onlangs in deze krant de secretaris van dat enigmatische orgaan, Greetje van den Bergh. Dat is nu echt je reinste onzin. Zijn er twee, vier of zelfs zeventien spellingen voor een woord? Dan stoppen we er twee, vier of zeventien in de spellingchecker. De computer zal het worst wezen. Opslagcapaciteit en snelheid zijn in deze allang geen probleem meer, en computers zijn er trouwens om ons het leven te vergemakkelijken, niet andersom.

Bovendien, er was allang uniformiteit, dubbelspelling of niet. Die is nu juist door het optreden van de Taalunie verloren gegaan. Met haar gesleutel heeft de Taalunie iedereen vooral een hoop overbodig werk en kosten bezorgd, want alle spellingcheckers moeten wel overnieuw worden gevuld, en dát moet met de hand. Als je dan nog in aanmerking neemt dat de regels die verzonnen zijn, overlopen van de onbeslisbaarheden en onwerkbare criteria, dan rest slechts de treurige conclusie dat het uitzicht op betere en betrouwbaarder spellingcheckers verder weggeraakt is dan ooit.