Tropische bot past camouflage razendsnel aan omgeving aan

Het idee is wijd verbreid dat platvissen hun uiterlijk kunnen aanpassen aan hun achtergrond. Al in 1911 hield een onderzoeker platvissen in een aquarium met een 'dambordpatroon' als achtergrond. Binnen een paar dagen zag hij dat de vissen een bijpassend blokpatroon aannamen. In latere jaren echter werd deze bewering in twijfel getrokken: de vissen zouden gewoon een onopvallend patroon bezitten, dat overal bij past. En bovendien zou de gelijkenis op veel foto's nog sterker lijken dan in het echt door non-lineaire filmeffecten, die de overeenkomst tussen vis en achtergrond versterken.

Toch melden Californische onderzoekers nu in Nature (29 februari) dat de tropische bot Bothus odellatus wel degelijk in staat is om razendsnel steeds andere, bij zijn achtergrond passende patronen aan te nemen. Deze vis, die thuis hoort in ondiepe wateren in het Caraïbisch gebied, kan het contrast verrassend goed aan zijn achtergrond aanpassen door zijn stippenpatronen te veranderen, waarbij de stippen groter of kleiner, dichter of minder dicht kunnen worden. Deze vis heeft ogen op steeltjes, die net als de ogen van een kameleon onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen in een blikveld van 180 graden. Zo kan het dier een dun, horizontaal bewegend stokje opsporen en aanvallen.

De tropische vissen werden over verschillende testbakken verdeeld, met een grof grindpatroon op de bodem, een grove of fijne dambordstructuur, effen grijs of fijn geel strandzand. Oorspronkelijk zagen de vissen er allemaal hetzelfde uit, maar ze pasten zich binnen 2 tot 8 seconden aan hun nieuwe omgeving aan, telkens als ze weer in een andere bak werden overgezet.

Om er zeker van te zijn dat het hier niet om een optische illusie ging, maakten de onderzoekers kleurenfoto's van de bakken, knipten daar de vissen uit en legden die op een neutrale achtergrond. Daaruit werd duidelijk dat de vissen werkelijk fysiek veranderden. Er werden ook zwartwit foto's gemaakt. Knipte men daar de vissen uit, dan konden proefpersonen desgevraagd in 58 van de 60 gevallen aangeven tegen welke achtergrond deze vis was gefotografeerd. De proeven werden herhaald met koudwatervissen. Daarbij werden echter veel minder spectaculaire resultaten verkregen en kwam het patroon net als bij het experiment uit 1911 pas na enkele dagen tot stand. Vervolgens werd met behulp van computerberekeningen een patroonanalyse op de foto's losgelaten. Daaruit kwam naar voren dat de vis bij het aannemen van het juiste camouflagepatroon gebruik maakt van onafhankelijke informatie over de omgevingsachtergrond via drie verschillende kanalen.

Microscopische analyse van de huid van gedode vissen wees uit dat het patroon wordt opgebouwd uit tenminste zes verschillende elementen, die meer of minder geactiveerd kunnen worden, ongeveer net zoals een schilder alle kleuren kan mengen uit de drie primaire kleuren blauw, geel en rood. Een - onbewezen - veronderstelling van de onderzoekers is, dat deze zes elementen elk afzonderlijk kunnen worden aangestuurd en dat het gezichtscentrum van de vis daarvoor ook verschillende afdelingen bevat. Ziet het dier een bepaald patroon in zijn omgeving, dan gaat dit signaal via speciale zenuwbanen rechtstreeks naar bijvoorbeeld het deel van de hersenstam dat ervoor zorgt dat de huid datzelfde patroon aanneemt. Het feit dat het mechnanisme zo snel werkt, binnen luttele seconden, duidt erop dat het hier om een neurale reactie en niet om een hormoonreactie gaat.