Papoea-talen

De indringende beschrijving van Lourens de Vries' veldwerk in het oerwoud van Nieuw-Guinea (W&O 8 februari) laat de taalkunde van zijn beste kant zien. Vertrokken “met een hoofd vol theoretische modellen” komt De Vries in Irian Jaya tot een meer antropologische manier van taalkunde bedrijven.

Inderdaad bestaat er in theoretisch gerichte vormen van taalkunde weinig belangstelling voor het alledaagse feit dat mensen taal ergens voor gebruiken. De kunst van de observatie, die mede inventariseert waar sprekers over spreken, neemt in theoretische tradities dan ook een bescheiden positie in. De vergelijkende taalwetenschap steunt daarentegen volop op veldwerk zoals dat van De Vries, waarin talen worden beschreven zonder ze los te weken van hun omgeving.

In dit verband zet de bewering “(i)n vergelijkende taalwetenschap komt betekenis vaak op de laatste plaats” de lezer wellicht op het verkeerde been. De semantiek is daar immers springlevend, niet ondanks maar dankzij de status van directe observatie in de taalbeschrijving. Opmerkelijk genoeg hangt juist in de theoretische taalkunde de betekenisanalyse meestal als vijfde wiel aan de wagen.

    • Jeroen Wiedenhof Leiden