Nieuwe tijd in Spanje: het is nog even wennen

Na dertien jaar regeren kwam zondag een einde aan het tijdperk van de socialist Felipe González. Maar de krappe overwinning van de conservatieve partij bewijst dat Spanje nog aarzelt over de nieuwe tijd. Ouderen denken nog steeds in termen van links en rechts. Voor een nieuwe generatie hebben de 'hokjesgeest' en de 'agressiviteit' weinig met de maatschappelijke realiteit te maken. Portret van een nieuwe fase in de democratie, 'de Tweede Transición'.

MADRID, 6 MAART. “Het verlies smaakte nog nooit zo zoet, de winst nog nooit zo bitter”. Zo bracht een ontspannen glimlachende Felipe González (54) de politieke situatie onder woorden, na de verkiezingen van afgelopen zondag. De demissionaire premier van Spanje sloeg daarmee volgens velen de spijker op zijn kop. Anders dan voorspeld wisten de socialisten hun verlies tot een minimum te beperken. Zijn conservatieve tegenhanger José María Aznar had weliswaar de verkiezingen gewonnen, maar met zo'n smalle marge dat de vorming van een nieuwe regering die op een voldoende meerderheid in het parlement kan steunen moeilijk, zo niet onmogelijk zal worden.

“No pasarán, zo is het maar net, we zullen ze stoppen.” Filiberto Sahuquillo (78), luitenant van de Socialistische Milities uit het voormalige Spaanse Republikeinse Leger, herhaalt zelfverzekerd de anti-Franquistische strijdkreet uit de Burgeroorlog (1936-'39). Hij zwaait zijn vuist in de lucht en weet vervolgens maar net het evenwicht op zijn wandelstok te bewaren. Als het aan hem ligt, zal Aznars PP niet de nieuwe regering van Spanje vormen. “Hij zal afbreken wat Felipe González in al die jaren voor ons heeft opgebouwd. Dat mag niet gebeuren. No pasarán!”

Een kamertje met twee bureaus in een vervallen bovenwoning in het centrum van de Baskische industriestad Bilboa. Hier houdt de Socialistische Militie (regiment Biskaje) de herinnering aan de burgeroorlog levend. Achter een bureau zit militie-president Alejandro Aguado (81), ex-kolonel aan het Baskische front tegen Franco's troepen. Het andere bureau wordt bezet door luitenant Sahuquillo, die Madrid nog tegen de fascisten heeft verdedigd.

“Leer mij ze kennen, die gasten van de Partido Popular”, bromt kolonel Aguado, terwijl zijn ogen tot smalle spleetjes trekken. “Als kinderen stonden ze met vlaggetjes te zwaaien als Franco weer eens een stuwdam opende. Om nog maar te zwijgen over wat hun ouders hebben uitgevroten. Handlangers van Franco en het kapitaal.”

Ex-kolonel Aguado en luitenant Sahuquillo maken inmiddels deel uit van het leger van bijna zeven miljoen gepensioeneerde kiesgerechtigden die afgelopen zondag naar de stembus trokken. “Wie beweert dat iemand boven de zestig in Spanje het slecht heeft, liegt”, zegt Aguado. Zelf ontvangt hij ruim elfhonderd gulden pensioen en nog eens een vergoeding voor zijn jaren in het Republikeinse leger. “We hebben het goed dankzij Felipe”, beaamt Sahuquillo, zelf juist herstellende van een heup-operatie. “Tienduizend gulden zou het me gekost hebben als het ziekenfonds niet had betaald. Als me dit vroeger was overkomen, was ik nu dood geweest.”

Zoals zondag bleek kan de PSOE van González rekenen op de trouwe steun van veel oudere Spanjaarden. Zij zijn dankbaar voor de welvaartstaat die sinds de dood van Franco in 1975 tot stand is gekomen en zij vrezen de oude tijden van de dictatuur. Maar inmiddels is een nieuwe generatie opgegroeid, voor wie Franco niet meer is dan een vage schim uit het verleden. Zij zijn groot geworden onder González en leven in een wereld van discotheken met acid-jazz, computers met Internet en een boekenplank met manga, Japanse pulpstripverhalen. Hun vijand is de hoge werkloosheid, een kwakkelende economie en een regering die zich jarenlang van het ene na het andere corruptieschandaal heeft gesleept.

In een café in het centrum van Madrid zit Aurelio Lopez Blanco (25) samen met zijn vriendin Maria Carmen (25) achter een kopje koffie de vacaturepagina's van de krant door te nemen. “Wij kennen niets anders dan regeringen van Felipe González. Ik kan dat gezicht niet meer zien”, zegt Aurelio. Beiden studeren rechten aan de Universidad Complutense in de hoofdstad. Aurelio komt uit een Madrileense familie die in het verleden de dictatuur van Franco steunde. Maria Carmen uit een dorpje bij Toledo, haar familie stemt traditioneel links.

“Aznar is geweldig populair onder de studenten. Je had de meisjes moeten zien toen hij een keer een lezing op de universiteit gaf: allemaal opgewonden gillen en zo”, lacht Aurelio. “Ik niet. Ik heb niet gegild”, zegt Maria Carmen terwijl ze haar donkere krullen schudt. “Maar ik heb wel op hem gestemd.”

Er moet iets veranderen, vinden beiden, evenals veel van hun medestudenten. Een nieuwe regering moet een kans krijgen de corruptie en de werkloosheid aan te pakken. Van de conservatieve kant binnen de PP moeten ze weinig weten. Zij lachen smakelijk om de bulderende commentaren van het behoudende dagblad ABC - de rechtse steunpilaar van Aznar. “Ik heb er zelfs nog aan gedacht om op Izquierda Unida [de linkse oppositiepartij] te stemmen”, zegt Aurelio. “Maar dat is geen regerings-alternatief. Dus de PP dan maar.”

Het landelijke hoofdkwartier van de socialisten in de Madrileense Calle de Ferraz in de verkiezingsnacht. Ministers komen en gaan, er wordt gelachen en gejuicht als de gezichten van de partijleiders op de televisieschermen verschijnen. Voor de jongeren hier staat de Partido Popular nog steeds voor het rechts van de intolerantie. “Heb je gezien dat ze bij het feest voor het partijbureau van de Partido Popular toch weer met de oude Franco-vlag [rood-geel-rood met een adelaar in het wapen] stonden te zwaaien?”, zegt een meisje met een bos rode rozen in haar hand.

“De vorming van een regering zal moeilijk worden. De Catalaanse en Baskische nationalisten vertrouwen Aznar niet”, weet David Hernandez (26) die met een clubje vrienden de uitslag viert. Aznar ontbeert alle kwaliteit die González tot staatsman maken, vinden zij. “Als er een rechtstreeks debat was geweest tussen González en Aznar hadden we alsnog gewonnen.”

Een nieuwe regering van conservatieve snit zal hooguit een jaar of twee doorsukkelen en dan alsnog ten val worden gebracht, oppert het groepje. “Drie verkiezingen in vijf jaar. Hoe kan er dan nog geregeerd worden? Italiaanse toestanden moeten worden voorkomen.”

De verkiezingsstrijd was de afgelopen weken ongekend fel. De socialisten beschuldigden de PP er een verborgen agenda op na te houden voor de afbraak van de welvaartstaat en de terugkeer naar het “rechts van weleer”. De PP sloeg terug met de beschuldiging dat de socialisten corrupt zijn en gebruik maakten van nazistische propaganda-technieken. Op dit soort smeercampagnes zit de burger niet op te wachten, vinden veel Spanjaarden. “De hokjesgeest en de agressiviteit die zich vooral de laatste drie, vier jaar heeft genesteld in het politieke leven, heeft niets te maken met maatschappelijke realiteit”, zo schreef deze week het dagblad El País.

“Spanje is uitgeblust en kan wel wat verandering gebruiken. Het meest voor de hand ligt dat Aznar een regering vormt die het politieke centrum vertegenwoordigt”, zegt professor Juan José Solozábal (48) in zijn werkkamer aan de Universidad Autónoma van Madrid. Als hoogleraar in het constitutionele recht adviseerde hij de vorige regering. Met zijn vlotte verschijning en getrimde baardje oogt hij als de typische representant van de González-generatie. “Erg briljant of fantasievol is het allemaal niet als je Aznar zo hoort spreken, maar de PP is uiteindelijk een gematigd-rechtse partij die redelijk dichtbij de conservatieve partijen in de rest van Europa staat”, zegt hij. “En dat is een goede zaak.” De huidige situatie is volgens de rechtsgeleerde ook een teken dat de Spaanse democratie steeds verder los komt van de Franco-erfenissen. De 'tweede transitie', is de huidige overgang al gedoopt - de eerste markeerde het afscheid van de dictatuur, de huidige luidt “een nieuwe fase in de democratie” in. “De Tweede Transitie is vooral een generatie-kwestie”, denkt Solozábal. “De jongeren hebben Franco niet of nauwelijks meegemaakt en zijn veel pragmatischer in hun politieke keuze. Dat is een teken dat Spanje een normaal land geworden is.”

De grootst bedreiging voor de democratische rechtsstaat is de terreur van de Baskische militante afscheidingsbeweging ETA, zegt Solozábal, die zelf Bask van geboorte is. Tien meter verderop, in een identiek kamertje aan dezelfde gang in de universiteit, schoot een ETA-terrorist drie weken geleden zijn collega-hoogleraar Francisco Tomás y Valiente dood. Voor de deur van zijn kamer staat een rode anjer, om het naambordje hangt een zwart rouwlintje. “Het probleem met de terreur van de ETA is dat je er geen politieke oplossing voor kunt vinden”, zucht Solozábal, terwijl we voor de kamer van Tomás y Valiente stilhouden. “Over geweld valt niet te onderhandelen, daar moeten de rechters hun werk doen. Daarnaast moet de sociale basis van de ETA ervan overtuigd worden dat in een democratie geen plaats is voor terreur.” Inmiddels ervaart Spanje een moeizame formatiepoging voor een nieuw kabinet, dat de komende weken voor spannende momenten zal zorgen. De winnende Partido Popular heeft de afgelopen jaren met veel verbaal geweld om zich heen geslagen. In de veronderstelling dat zij een ruime meerderheid zou behalen, was de partij bovendien zo onverstandig om ook in de laatste weken voor de verkiezingen nog eens uitgebreid op de tenen van mogelijke coalitiepartners te gaan staan.

Daar betaalt Aznar nu een hoge prijs voor. Zijn partij kan alleen een regering vormen met steun van de Catalaanse nationalistische partij van Pujol. En uitgerekend met Pujol bestond de verhouding voornamelijk uit het uitwisselen van beledigingen. “Pujol is verantwoordelijk voor de ernstige morele, economische en politieke crisis waarin het land zich bevindt”, verklaarde eerder Aznar, nadat hij hem volgens onbevestigde berichten eerder als “Catalaanse dwerg” had afgedaan. “Sommige afgevaardigden van de Partido Popular poetsen nooit hun tanden”, antwoordde de Catalaanse leider in reactie op de “vuilbekkerij” van de PP.

“Die haat over en weer verbaast me iedere keer weer. Gaat dat in Nederland nou ook zo tussen politici?”, vraagt Chumy Chúmez, anarchistisch radio-humorist en cartoonist voor het dagblad Diario 16. De spotprenten van de vijftiger Chúmez worden bevolkt door barok uitgedoste gedrochten die Spanje becommentariëren tegen de achtergrond van het surrealistische Castilliaanse landschap, waar de zon altijd onbarmhartig brandt. In zijn Spanje klinkt weinig hoop op vooruitgang. “We hebben nog nooit zo'n schitterende zeventiende eeuw beleefd als nu”, luidt een van de bespiegelingen. “Ons probleem is dat we in een democratie leven die wordt bevolkt door 40 miljoen niet-democraten”, luidt een andere.

“Dat laatste is natuurlijk een grapje, de democratie werkt hier min of meer”, zegt Chúmez, terwijl hij in een drukbezochte bar aan een glaasje cola nipt. “Dit land is politiek niet onderontwikkeld, maar economisch wel. We vinden dat we bij de rijken van Europa horen. Er zit een groot verschil tussen wat we geloven dat we zijn en wat we werkelijk voorstellen. Dat geeft natuurlijk spanningen.”

Spanje is bang voor de toekomst, bang voor werkloosheid en bang voor buitenlanders, meent Chúmez. En het land heeft een langdurige geschiedenis te overwinnen waarin de ene helft enthousiast de hersens insloeg van de andere helft. “Een feit is dat iedereen hier uiteindelijk meer om zijn eigen kleine kringetje geeft dan om het land. Zodra een maatregel tegen het eigenbelang indruist, laten ze Spanje als een baksteen vallen. Dat is ons probleem.”