Met een handicap naar de gewone school

Ouders met een lichamelijk of geestelijk gehandicapt kind hebben meestal maar weinig in de melk te brokkelen als het om onderwijs gaat. Voor elke handicap is er een aparte school en daar worden ze geacht hun kind naar toe te sturen. Zelfs als die honderd kilometer verderop ligt. Zulke scholen voor speciaal onderwijs hebben ontegenzeggelijk voordelen, want daar zijn kennis en voorzieningen voorhanden om gehandicapte kinderen onder aangepaste omstandigheden les te geven. Om de leerlingen heen beweegt zich er een legertje van gespecialiseerde deskundigen zoals 'remedial teachers', logopedisten, ergotherapeuten en maatschappelijk werkers.

Toch willen steeds meer ouders van gehandicapte kinderen het anders. Ze wensen dat hun kind opgroeit tussen gewone kinderen en dat de expertise die zich in het speciaal onderwijs heeft opgehoopt wordt overgeheveld naar de gewone scholen.

Soms gebeurt dat al. De leegloop van de blindeninstituten heeft er in het nabije verleden voor gezorgd dat deze sector zich genoodzaakt zag om blinde en zeer slechtziende leerlingen op gewone scholen ambulant te gaan bijstaan. Ouders van kinderen met het syndroom van Down, ook wel mongooltjes genoemd, hebben eveneens baanbrekend werk verricht. Met grote vasthoudendheid hebben ze een doel bereikt dat tien jaar geleden nog ondenkbaar leek: ruim 350 kinderen met het Down-syndroom zitten nu op gewone basisscholen, die daarvoor extra arbeidsplaatsen krijgen.

“Elke week krijg ik wel een paar verzoeken van ouders op mijn bureau die om extra financiering vragen”, vertelt Tineke Netelenbos, staatsecretaris van onderwijs, aan een gezelschap van ouders, leerkrachten, hulpverleners en vertegenwoordigers van belangenverenigingen. “Deze ouders”, zo gaat de staatssecretaris door, “willen dat hun gehandicapte kind naar een gewone school gaat, maar het moet daar wel aanvullende hulp en voorzieningen krijgen.” Financiële drempels verhinderen Netelenbos tot nog toe op deze verzoeken in te gaan. Maar dat wordt allemaal anders als de plannen van de zogeheten 'leerlinggebonden financiering' werkelijkheid worden. De aanwezigen uit de regio Utrecht zijn door de staatssecretaris uitgenodigd om vanuit hun eigen ervaring en deskundigheid met haar mee te denken over deze ideeën. De afgelopen periode heeft er elders in het land nog een tiental van dit soort gedachtenwisselingen tussen de staatssecretaris en direct betrokkenen plaatsgevonden. In juni wil Netelenbos haar definitieve plannen naar de Tweede Kamer sturen.

De grondgedachte van de nieuwe financieringswijze is dat de gebruiker zelf zeggenschap krijgt over de diensten waar hij gebruik van wil maken en niet zonder meer is overgeleverd aan het kant-en-klare pakket van instituten die alles in huis hebben en dat alleen op hun eigen voorwaarden leveren. In de gezondheidszorg wordt nu al op bescheiden schaal geëxperimenteerd met het 'persoonsgebonden budget'. Patiënten krijgen een bepaald bedrag in handen waardoor ze zelf kunnen bepalen bij wie ze hun diensten 'inkopen'. Netelenbos gaf een commissie onder leiding van hoogleraar orthopedagogiek J. Rispens opdracht om uit te zoeken of het idee van het leerlinggebonden budget in de onderwijspraktijk zou werken. Dat kan, zo concludeerde de commissie Rispens, al zou wel het iets anders geregeld moeten worden dan in de gezondheidszorg. De commissie adviseert: stel op grond van een puntensysteem vast hoe groot het budget moet zijn dat een gehandicapte leerling nodig heeft om behoorlijk onderwijs te kunnen volgen en geef dit geld rechtstreeks aan de school waar de leerling zich inschrijft. Dat kan een reguliere school zijn, die als een soort 'hoofdaannemer' met dat geld extra deskundigheid en voorzieningen in huis gaat halen, maar het kan evengoed een school voor speciaal onderwijs zijn. Het is aan de ouders en de leerlingen die keuze te maken. Scholen voor speciaal onderwijs worden zo niet alleen gedwongen om hun expertise op peil te houden, maar ook om deze buiten de eigen voordeur op gewone scholen 'uit te venten'. Zoals dat nu ook al gebeurt in het onderwijs aan blinde en slechtziende kinderen.

Ouders en gehandicapte leerlingen krijgen op deze wijze werkelijk iets te kiezen, luidt de verwachting van de commissie Rispens. In de wandeling is dit nieuwe financieringssysteem dan ook het 'het rugzakje' gaan heten, want daarin zit het budget dat de leerling - zij het virtueel - meebrengt naar de school van zijn keuze. Het gaat totaal om zo'n 33.000 leerlingen op speciale scholen die elk voor een geldbedrag tussen de 5.000 en 25.000 gulden per jaar in aanmerking zouden kunnen komen. De vragen hoe deze bedragen moeten worden vastgesteld en welke rol daarin de indicatiecommissies precies gaan spelen, worden in het rapport Rispens slechts globaal beantwoord. Op deze punten waren de deelnemers aan de discussiebijeenkomsten dan ook het meest kritisch.

Op de bijeenkomst in Utrecht zijn de ouders van gehandicapte kinderen verdeeld in hun mening over de voordelen van het leerlinggebonden budget. Levert het 'rugzakje' hen echt meer keuzevrijheid op? De vader van een doof kind denkt dat het een verbetering kan zijn. “Er zijn nu vijf dovenscholen in Nederland. Als ouder heb je niets te vertellen, zíj hebben het geld en dus de macht.” Voor J. Schutte, vader van twee slechtziende zoons, zal het waarschijnlijk weinig uitmaken. Zijn kinderen krijgen voldoende hulp op de gewone basisschool. 'Wij konden kiezen uit vrijwel alle scholen in de buurt.' Voor de spastische zoon van A. Moolhuizen zal er altijd weinig keuze blijven, welk financieringssysteem er ook wordt ingevoerd. 'Hij moet acht keer in de week therapie hebben', vertelt de vader, 'daarom zijn wij aangewezen op een mytylschool in de buurt van een revalidatiecentrum.' De mongoloïde dochter van M. Hijman heeft altijd op een gewone school gezeten, waar men zich zeer coöperatief opstelt. Ze zit nu in groep vier en kan lezen en schrijven. De school krijgt extra personeelsformatie van het ministerie. Voor de fijne motoriek heeft haar dochter fysiotherapie nodig, voor rekenen krijgt ze een speciaal programma en daarnaast moet ze regelmatig naar logopedie. Aangepaste software voor de computer moet weer via een aparte instantie worden geregeld. 'Dat is allemaal erg versnipperd', aldus Hijman, 'als je dat allemaal wilt regelen moet je er bovenop zitten en erg mondig zijn.'

Na afloop van de gedachtenwisseling toont staatssecretaris Netelenbos zich tevreden. Er waren verschillende basisscholen aanwezig die ondanks de beperkte financiële mogelijkheden al jaren gehandicapte kinderen in hun groepen hebben. En ook de welwillende houding van het speciaal onderwijs verraste haar: 'We vragen ze een ingrijpende vernieuwing door te voeren en dat is tenslotte niet gering.'