Halfslachtige poging tot gulle kluchtlach

Voorstelling: De tante van Charlie, van Brandon Thomas, door RO Theater. Spelers: Stefan de Walle, Cees Geel, Dirk Zeelenberg, e.a. Vertaling: Ger Apeldoorn en Harm Edens. Decor: Manda Bakker. Regie: Koos Terpstra. Gezien: 6/3 in RO Theater, Rotterdam. Aldaar t/m 16/3.

Geen toneelgenre waarin de regie-aanwijzingen zo uitvoerig - en ook zo cruciaal - zijn als de klucht. Het mechanisme begint immers bij de geringste afwijking al te haperen; als het niet precies zo gaat als de schrijver voor ogen heeft gestaan, is de kans groot dat de malligheid lang zo mal niet meer is, en de geloofwaardigheid verdwijnt die ondanks alles moet ontstaan. Een andere interpretatie roept al gauw de vraag op wat er dan in vredesnaam aan zo'n klucht te interpreteren valt, en wat er anders kan worden gedaan dan het ding nooit meer uit de kast te halen of gewoon te spelen.

Dit overdacht ik vóór ik gisteravond bij het RO Theater de eerste voorstelling zag van De tante van Charlie, de honderd jaar oude klucht van Brandon Thomas over twee Oxford-studenten die de meisjes van hun dromen alleen te spreken kunnen krijgen als de tante van één van hen daar fatsoenshalve bij aanwezig is - en die een mede-student de rol van die tante laten spelen. Het is de eerste van de drie kluchten, die er de komende weken onder regie van Koos Terpstra worden gespeeld. En vooraf verklaarde hij dat hij precies datgene wilde doen waar ik bij voorbaat weinig heil in zag: kijken of er nog iets anders mee te doen is.

Het resultaat, weet ik nu, is een ietwat in de lucht hangend compromis tussen een niet-traditionele, niet-historiserende benadering en een poging toch nog de gulle lach binnen te halen met beproefde kluchteffecten. De voorstelling wordt niet in en om de studentenverblijven van Oxford gespeeld, maar op een kaal toneel met een rood achterdoek, een paar klapstoeltjes, een klaptafeltje en een grote spiegel terzijde met een barst erin (maar geen lachspiegel). De spelers ogen fleurig, maar hun kledij zou ook in café De Unie niet misstaan. Het is lastig nu nog te geloven dat ze die tante als chaperonne niet kunnen missen (“zonder tante beginnen we niks!”) en dat ze voor een huwelijk de toestemming van een oom en voogd nodig hebben. Het is ook lastig in hen te geloven als ze de meisjes met u aanspreken en tegelijk een vette kus op hun lippen plaatsen en naar hun borsten graaien.

Cees Geel en Dirk Zeelenberg, als de twee studenten, schakelen dan ook zonder duidelijk doel heen en weer tussen stilering, inleving, lawaaiigheid en moderne nonchalance, terwijl ook de andere spelers allemaal verschillende stijlen lijken in te brengen. Hier en daar probeert Koos Terpstra iets metvervreemdende hiaten en momenten van verstilling, die alleen zin zouden hebben als de handeling daardoor een nieuwe betekenis krijgt. Maar die krijgt ze niet, want de auteur was er alleen maar op uit binnen de Victoriaanse omgangsvormen een zotte situatie te creëren. De enige die gaandeweg wat menselijke trekjes vertoont, is Stefan de Walle als de namaak-tante. Hij vertoont een geraffineerd soort vrouwencharme, produceert begrijpende knikjes zonder iets te begrijpen en moet waarachtig iets wegslikken als hij, met zijn rode damespruik op, opeens oog in oog staat met zijn eigen geliefde.

Pas na de pauze blijkt dat De tante van Charlie zich nog steeds kan onttrekken aan elke poging er iets nieuws mee te doen. Ondanks de onzekere, tastende versie die Terpstra hier ten tonele voert, gaat de intrige ermee op de loop. Niet langer glippen de grappen dan tussen ieders vingers door, en gaandeweg komt toch nog de climax die Brandon Thomas had bedoeld. In zijn eerste aflevering van de reeks (die Three of a kind heet, in aanstellerig Engels, in plaats van veel gepastere titels als Drie in de pan of Drie is te veel) moetTerpstra het zodoende afleggen tegen het genre dat hij aan een onderzoek wildeonderwerpen. Wat hij er ook mee van plan was, De tante van Charlie is sterker.