Gevaar verwildering genetisch veranderde soorten; Ontsnapt uit de proeftuin

Bestaat het gevaar dat genetisch gemodificeerde planten hun nieuwe genen overdragen op de wilde flora? Dat zou onaangename gevolgen kunnen hebben: onkruiden die resistent zijn voor veelgebruikte herbiciden of planten die plotseling oneetbaar worden voor rupsen om daarna oningeperkt de natuurterreinen te overwoekeren.

Om de orde van grootte van dit probleem te bepalen, zocht ir. Femke Frietema de Vries in de collectie van het Rijksherbarium te Leiden naar planten die in het verleden de sprong van cultuurgewas naar het wild al eens gemaakt hebben. In overleg met de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) onderzocht ze 40 plantensoorten, een steekproef uit alle plantenfamilies die in de Nederlandse landbouw van belang zijn. Afgelopen dinsdag promoveerde zij hierop aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Het Rijksherbarium beschikt over een uitgebreide collectie gedroogde planten, die speciaal bewaard wordt voor botanisch onderzoek. De nadruk ligt op de flora van het Maleisisch gebied (Indonesië, Maleisië, Filipijnen), maar ook de collectie van de Nederlandse flora is nergens groter. Het materiaal werd de afgelopen eeuw verzameld, voor het merendeel door liefhebbers. Van iedere soort zijn vele exemplaren aanwezig.

Herbariumexemplaar

Aanvankelijk bestond bij de COGEM enige scepsis of zo'n herbarium nu wel de juiste plaats was om het probleem van de verwildering van cultuurgewassen te onderzoeken. Moest je daarvoor niet het veld in? Vormden die paar honderd herbariumexemplaren van een bepaalde soort wel een goede afspiegeling van de populatie?

Dr. Ruud van der Meijden, hoofd afdeling Nederland van het Rijksherbarium en copromotor van Femke Frietema, is daar altijd heel stellig over geweest: “Als wij zo'n bastaard of een verwilderde plant niet in onze collectie hebben, dan bestaat hij gewoon niet. Dat klinkt erg onwetenschappelijk - en dat is het ook. Je kunt natuurlijk niets echt uitsluiten - maar als je je realiseert dat duizenden floristen afgelopen eeuw weinig anders gedaan hebben dan Nederland uitkammen op afwijkende exemplaren, dan begrijp je wat ik bedoel. Als een cultuurgewas zou verwilderen of kruisen met een wilde plantensoort, dan waren zij er als de kippen bij geweest om die planten naar ons op te sturen. Afwijkende exemplaren zijn nu eenmaal interessanter dan gewone.”

De meeste landbouwkundigen geloven niet erg aan verwildering van cultuurgewassen. Cultuurgewassen zijn immers rassen waarmee eindeloos is doorgekruist en die genetisch sterk verzwakt zijn. Ze zijn geselecteerd op voedzaamheid, op smaak of op hoge opbrengst. Maar buiten het veld maken ze geen kans tegen de wilde soorten, die immers volledig zijn aangepast aan die omgeveving.

Daar staat tegenover dat cultuurgewassen wel in zeer grote aantallen voorkomen, en hun zaden dus ook. En ze kunnen hun alomtegenwoordig stuifmeel overdragen op verwante wilde soorten. Ook kunnen zaden, ontstaan door kruising met wilde verwanten, in het wild ontsnappen.

Uit het onderzoek van Frietema bleek dat zo'n tien van de veertig onderzochte cultuurgewassen buiten de akkers niet werden aangetroffen. Daaronder bevinden zich bijvoorbeeld prei, komkommer en de boon. Er zijn zo'n twintig soorten die wel af en toe in het wild worden aangetroffen of die af en toe met wilde soorten kruisen. Daaronder bevinden zich koolzaad, raapzaad, radijs en de biet. En tenslotte zijn er zo'n tien cultuurgewassen die zeer gemakkelijk verwilderen of onbelemmerd kruisen met hun wilde verwanten. Dat zijn vier grassoorten, de asperge, de raap, witlof (in het wild cichorei), wortel, sla, lucerne (ook wel op zijn Amerikaans alfalfa geheten) en klaver.

Frietema: “Vooral grassen verwilderen erg gemakkelijk, of liever gezegd: ze bastaarderen snel. Het zijn moeilijke soorten, eerder soortcomplexen die genetisch niet duidelijk zijn ingeperkt. De wilde asperge en de wilde peen zijn identiek aan de cultuurasperge en de cultuurpeen. Hooguit hebben de cultuurplanten een hogere opbrengst. Hetzelfde geldt voor cichorei, voor lucerne en voor klaver.”

Frietema's promotie bracht ook opheldering over de vraag of de cultuursla (Lactuca sativa) verwant is aan de wilde kompassla (Lactuca serriola). Onder de cultuursla vallen uiteenlopende variëteiten als eikenbladsla, kropsla, krulsla, snijsla, ijssla en ijsbergsla. Voor de consument een wereld van verschil, maar genetisch gezien vrijwel identiek. Het blijkt dat cultuursla en kompassla ook identiek zijn. Het onderscheid in twee latijnse namen sativa en serriola is dus eigenlijk niet gerechtvaardigd, het zijn variëteiten van een en dezelfde soort. Kompassla en kropsla kunnen onbelemmerd kruisen.

Tien van de veertig onderzochte cultuurgewassen blijken goed kruisbaar met wilde soorten of overleven zelf redelijk goed in het wild. Ligt het niet voor de hand om alle 140 Nederlandse cultuurgewassen op verwildering te onderzoeken? Van der Meijden: “Dat heeft de COGEM ons niet gevraagd. Ze vinden de uitkomst kennelijk wel voldoende zo. En zelf heeft het Rijksherbarium daarvoor geen middelen. Wij balanceren, zoals bekend, op de grens van inkrimpen en opheffen. Het is wel zuur om te zien dat er in de zaadveredeling en recombinant-DNA-technologie jaarlijks tientallen miljoenen omgaan, maar dat er voor zoiets simpels als verwildering nauwelijks geld is.”

Wat zijn nu de gevaren van een verwilderde plant? Is het erg als onkruiden herbicide-resistent worden? Frietema: “Voor de boeren zal het erg vervelend zijn. Veel geïnvesteerd in duur zaaigoed en bijbehorende herbiciden, maar de velden worden overwoekerd door een of ander resistent onkruid - alle moeite voor niets geweest. Waar natuurbeschermers zich eerder zorgen over maken is ontsnapping van de rupsresistentie. In de natuur worden veel planten in toom gehouden door insekten, vaak rupsen. Als zo'n soort plotseling een rupsengif bevat, houdt die beperking ineens op en kan hij zich onbelemmerd voortplanten. Zo'n plant wordt dan een ware plaag, die hele natuurterreinen kan overwoekeren.”

Maar worden er met die rupsresistentie niet allerlei andere eigenschappen ingekruist die dit doemscenario moeten voorkomen, bijvoorbeeld mannelijke steriliteit, zodat het stuifmeel van de gemodificeerde plant steriel is? Frietema: “Natuurlijk doet men dat om veiligheidsredenen. Maar die ingekruiste handicap is dan ook het enige waarop je moet vertrouwen. Je weet nooit of die barrière wel volledig waterdicht is.”

Van der Meijden: “Ze zijn tegenwoordig erg gemakkelijk geworden met het afgeven van vergunningen voor gemodificeerde planten. Ik vind dat ze erg grote risico's nemen. Maar het enige wat wij kunnen doen, is ze waarschuwen voor de gevaren. Zodat ze later niet kunnen zeggen: 'wir haben es nicht gewusst'.”