Geeuw van de leeuw

Weinig aandacht is er in Nederland voor de geeuw en het geeuwen. Je ziet het al aan de encyclopedieën die het lemma negeren alsof het fenomeen niet bestaat. Het blijkt ook uit de moeite die je moet doen om een deskundige aan de lijn te krijgen die met gezag en eigen inbreng iets over de geeuw te melden heeft.

Gelukkig is er niets urgents. Er waren wat terloopse AW-waarnemingen die om een commentaar vroegen, zoals: dat het geeuwen zo aanstekelijk is maar dat kinderen jonger dan een maand of 18 daar nog niet gevoelig voor zijn. En dat men niet alleen van een geeuwende medemens aan het geeuwen raakt, maar ook van geeuwende dieren, zoals honden, katten en papegaaien, zodat het wel eens aardig leek te achterhalen of een papegaai ook een poes aan het geeuwen kan krijgen. Maar zoals gezegd: de universiteiten zwegen of namen niet op en de naslagwerken wisten van niets.

Geen nood, tegenwoordig is er de databank die met één druk op de knop vanuit de verste uithoeken van de aarde de juiste literatuur aanreikt, vooropgesteld dat het juiste trefwoord werd ingetikt. Met 'yawn' en 'yawning' kwam de geraadpleegde leksusneksus een heel eind. Stukken uit The Gazette, The Tampa Tribune, The Jerusalem Post, The Pittsburgh Post-Gazette, noem maar op, terug tot diep in 1992.

Het blijkt dat er buiten Europa juist veel belangstelling is voor de geeuw, de ene na de andere psycholoog of etholoog schrijft er een boek of dissertatie over. Veel afstemming lijkt daarin niet op te treden, waar de één wijst op de intrigerende aanstekelijkheid van het geeuwen stelt de ander (te weten dr. Ruth Shalev in Jeruzalem) dat die zogenaamde aanstekelijkheid op een verkeerde waarneming berust. Er is veel synchronisatie in het geeuwen omdat veel mensen tegelijk in dezelfde geeuwverwekkende omstandigheden raken: men zit tegelijk in een bedompte ruimte of heeft gezamenlijk te kort geslapen, enzovoort.

De AW-redactie zou dokter Ruth willen wijzen op de waarneming dat sommige mensen ook op een slijkgaper of een openstaande zwanemossel reageren en dat er honden- en kattenbezitters zijn die - geeuwend - hun hond of kat aan het geeuwen brengen. Dat is: vice versa. De geeuw is buitengewoon aanstekelijk, stelt onomwonden de hoogleraar psychologie Robert Provine, die tien jaar aan de geeuw werkte. Extremely contagious.

Wat er verder aan grote lijnen gevonden werd is dat predatoren ('roofdieren') zoals katten en honden veel meer geeuwen dan herbivoren, zoals konijnen en marmotjes. Dat sommige dieren, zoals de giraf, helemaal nooit geeuwen, dat mannetjesapen weer meer geeuwen dan vrouwtjes en dat dit ook zo is bij allerlei vissen, voor zover het openen van de vissemond onder de noemer 'geeuwen' is te brengen. Want echt geeuwen bestaat uit een serie handelingen die begint met het openen van de mond en gevolgd wordt door een diepe inademing waarbij het hoofd naar achteren gaat, het half toeknijpen van de ogen en een abrupte uitademing. Dat alles gewoonlijk binnen een seconde of vijf en zonder dat de mogelijkheid bestaat de handelingen te onderbreken als daaraan eenmaal begonnen is.

Wat de AW-redactie betreft zou bovendien onderscheid gemaakt moeten worden tussen de enigszins besmuikte, geluidloze Kleine Geeuw die men veel in de trein ziet en de veel zeldzamere Grote Geeuw waarbij ook wordt uitgerekt en lawaai gemaakt. Honden beschikken over beide geeuwen, vissen hebben alleen een kleine geeuw. Als het een geeuw is.

Het is de onderzoekers niet ontgaan dat lang niet alle geeuwen is gekoppeld aan verveling en slaperigheid. Er is ook het geeuwen gerelateerd aan nervositeit, of aan onzekere of onduidelijke situaties, bij voorbeeld de toestand die optreedt als men de hond zegt dat-ie 'uit!' gaat zonder dat vervolgens de daad bij het woord wordt gevoegd. Apen geeuwen ook bij wijze van dreiging.

In de Grote Geeuw van de medemens zit, als het gevoel niet bedriegt, vaak nogal wat dominantie-vertoon (tenzij de Grote Geeuw uit de wieg komt) en het zou aardig zijn te onderzoeken wie er allemaal in de kantoortuin een Grote Geeuw durven laten zien en horen. De sollicitant zeker niet.

Provine heeft een grote gemene deler gevonden: er wordt altijd gegeeuwd in typische overgangssituaties, ontdekte hij. De overgang van slapen naar waken, van alertheid naar ontspanning of verveling, enzovoort. En omdat roofdieren veel vaker in overgangssituaties raken dan die initiatiefloze herbivoren wordt er door predatoren meer gegeeuwd. Op dit niveau staat het geeuwonderzoek.

Andere bijdragen van de wetenschap: geeuwen is goed voor de gezondheid, een goede geeuw verhoogt de hartslag, verbetert de hersendoorbloeding en komt zelfs de erectie ten goede als die er is. Personen die het geeuwen werd verboden of belemmerd raakten in een slecht humeur en verloren concentratievermogen. Ongeveer hetzelfde noteerde men een halve eeuw geleden over zoiets als 'lachen' en veel zijn we daarmee niet opgeschoten.

Het onmiskenbaar aanstekelijke van geeuwen dat nota bene interspecifiek is, dus over de soortsgrens heen reikt, suggereert dat het nut van geeuwen verder reikt dan het individu alleen. Zit daar een houvast? Nauwelijks, denkt emeritus-hoogleraar diergedrag dr. A. Kortlandt, toevallig even in het land. “Heel veel gedrag is aanstekelijk: het is niet alleen zien-eten-doet-eten, maar hetzelfde geldt voor vluchten en vechten.” Voor wat betreft de mens zijn daar het huilen, lachen, stotteren en fluiten aan toe te voegen. Maar interessant genoeg weer niet: hikken, niezen, blozen of zoiets als de tong tussen de tanden klemmen bij een ingewikkeld karweitje.

Van dat laatste is het nut inmiddels aangetoond: wie de tong laat zien wordt minder door voorbijgangers gestoord dan wie de tong binnen houdt (zie 'The science of everyday life' van Jay Ingram, Viking, 1989). De onderzoekers uit de databank zien geen ander groepsnut van geeuwen dan: synchronisatie van gedrag. Een treffende cirkelbewering die bewijst dat er nog werk is voor de amateur.