Een Lets paspoort - binnen vijfhonderd jaar

Gematigde politici in Letland en de speciale commissaris voor minderhedenvraagstukken van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), Max van der Stoel, kunnen opgelucht ademhalen: het plan van de Unie voor Vaderland en Vrijheid - een van de regeringspartijen - om de wet op het staatsburgerschap aanzienlijk aan te scherpen, is, althans voorlopig, mislukt.

Als dat plan zou zijn geslaagd, zou dat hebben geleid tot een radicalisering van de minderheden in Letland, die 46 procent van de bevolking uitmaken. Driekwart van hen - 32 procent van de bevolking - bezit geen Lets paspoort en heeft niet de burgerrechten die met het staatsburgerschap samenhangen, zoals het stemrecht.

De Unie voor Vaderland en Vrijheid is ontevreden over de bestaande wet op het staatsburgerschap, die de honderdduizenden etnische Russen, Wit-Russen en Oekraïeners mondjesmaat de mogelijkheid geeft het Letse staatsburgerschap te verwerven. Aanvankelijk was het aantal 'niet-burgers' dat daarvoor jaarlijks in aanmerking kwam aan maxima gebonden, maar na scherpe internationale kritiek werd dit plafond weggenomen.

Dat heeft overigens niet geleid tot een versnelling van het proces van naturalisatie van etnische Russen, Wit-Russen en Oekraïeners, want dat blijft een zeer moeizaam en traag proces: van de 120.000 niet-Letten die in 1995 het staatsburgerschap aanvroegen werden er 116.000 afgewezen, wegens hun leeftijd, of omdat ze zakten voor mondelinge of schriftelijke examens. Veel niet-Letten geeft er uit wanhoop over de slechte vooruitzichten de voorkeur aan de republiek te verlaten: de afgelopen jaren is het percentage etnische Letten op de totale bevolking door emigratie van Russen gestegen van 52 tot 54,8 procent.

Niettemin was het schrappen van de quota uit de wet zeer tegen de zin van de radicaal-nationalistische Unie voor Vaderland en Vrijheid. Zij begon vorig jaar een handtekeningenactie, die moest resulteren in behandeling, door het parlement, van een wijziging van de wet. Als het parlement na een geslaagde handtekeningenactie de wetswijziging zou afwijzen, zou die de bevolking alsnog in een referendum moeten worden voorgelegd. Het voorstel van de Unie voor Vaderland en Vrijheid kwam neer op de invoering van een nieuw plafond: jaarlijks zou het aantal te naturaliseren niet-burgers niet groter mogen zijn dan 0,1 procent van het aantal burgers dat de Letse nationaliteit bezit. Dat zou betekenen dat, vooropgesteld dat àlle 'niet-burgers' de Letse nationaliteit zouden willen aanvragen, de laatsten pas over vijfhonderd jaar aan de beurt zouden zijn om hun Letse pas in ontvangst te kunnen nemen.

Om dat plan het parlement te kunnen voorleggen had de partij 131.104 handtekeningen nodig: een op elke tien ingeschreven kiezers. Vorige maand verstreek de termijn waaraan de handtekeningenactie was gebonden. Op dat moment had de Unie voor Vaderland en Vrijheid 126.569 handtekeningen opgehaald - vijfduizend te weinig. De partij vroeg om dertig dagen uitstel, om de 26.000 in het buitenland wonende Letten ook de gelegenheid te geven de petitie te ondertekenen. De Unie voor Vaderland en Vrijheid ging ervan uit dat als deze in het buitenland wonende Letten hun stem mogen uitbrengen bij verkiezingen, ze ook haar petitie zouden moeten kunnen tekenen. En dat zou ongetwijfeld betekenen dat de actie met succes zou worden bekroond: onder die 26.000 Letten geniet de Unie veel aanhang.

Maar het verzoek van de partij werd ondanks steun van de parlementscommissie voor de mensenrechten van de hand gewezen door de voorzitter van de nationale kiescommissie, Atis Kramins. Hij sloot de termijn en daarmee werd een bruusk eind gemaakt aan het initiatief.

Westerse diplomaten, gematigde Letse politici en Max van der Stoel kunnen met dat eindresultaat tevreden zijn: zij hadden aangevoerd dat de huidige regeling voor het verkrijgen van het Letse staatsburgerschap al strikt genoeg is en dat een verdere aanscherping zou leiden tot onrust onder de omvangrijke Russische minderheid.

Die onrust groeit toch al, naar aanleiding van andere maatregelen waarmee veel niet-Letten zich gediscrimineerd voelen, zoals de afschaffing van het Russisch in het onderwijs en plannen om middelbare scholen waar nog in het Russisch wordt onderwezen, te sluiten. Een protestverklaring van de Vereniging van Etnisch-Culturele Verenigingen tegen die laatste maatregel werd door president Guntis Ulmanis van tafel geveegd met de opmerking dat de vereniging “een ruig en smerig politiek spelletje speelt”. Een gesprek tussen de president en vertegenwoordigers van de vereniging leidde weliswaar tot enige toenadering, maar Ulmanis zag geen aanleiding zijn uitlating in te trekken of te matigen.

Het onvermogen van de Letten om de problemen rond hun omvangrijke Russische minderheid op te lossen heeft Letland in Rusland hoogst impopulair gemaakt. Bij een opiniepeiling van de Friedrich Ebert Stiftung onder Russische officieren, waarbij de vraag werd gesteld welk land de belangrijkste vijand van Rusland is, kwam Letland op de eerste plaats - gevolgd door Afghanistan, Litouwen, Estland en de Verenigde Staten, in die volgorde.