De verwoesting van de hoogste berg van Afrika; Kermis op de Kilimanjaro

Tienduizenden toeristen beklimmen jaarlijks de Kilimanjaro in Tanzania. De hoogste berg van het Afrikaanse continent is voor iedereen met een goede gezondheid en conditie te beklimmen. Voor het milieu op de berg is het rampzalig, maar de Tanzanianen laten de buitenlandse deviezen niet lopen. 'You want to climb Kili, sir? Cheapest price!'

Boven de 5000 meter zie je dwaze taferelen. Een Franse vrouw van middelbare leeftijd hangt wezenloos tussen twee landgenoten, haar slepende voeten trekken sporen in het zwarte lava-zand. Even verderop leunt een brakende Japanner tegen een rotsblok. Hij leegt zijn maag en vervolgt waggelend zijn route naar de top. Een Engelsman die de domheid beging de dag daarvoor met ontbloot bovenlijf te lopen wordt met een zonnesteek en uitdrogingsverschijnselen naar beneden gedragen.

Het is 's ochtends half zeven en het vriest bijna tien graden. De sterksten hebben zojuist Stella Point bereikt (5800 meter), de rand van de reusachtige krater van de Kibo, de hoofdtop van het Kilimanjaro-massief. Na een tocht van zes uur door de steenkoude nacht brengen de eerste zonnestralen wat verlichting. Door de sneeuw en langs torens van ijs ploegen we voort naar Uhuru Peak (5896 meter), het hoogste punt van de kraterrand. Even na zevenen staan we op de top. De krachten zijn nauwelijks toereikend om een foto te maken. Een bord met het opschrift you are now at Uhuru Peak, the highest point of Africa lazert meedogenloos naar beneden als we ertegen leunen. Twee Amerikanen hangen het bord weer op zijn plaats. Als produkten van de Amerikaanse fitheids-cultuur hebben ze nergens last van en maken grap na grap.

Op de eerste kaarten van het gebied heette de top nog de Kaiser Wilhelm Spitze, naar de keizer van Duitsland die de berg in 1886 als verjaardags-cadeau kreeg van zijn grootmoeder, de Engelse koningin Victoria. De overlevering wil dat Victoria haar gift motiveerde met de opmerking 'William likes everything that is high and big'. Als gevolg hiervan kwam de berg van Engels Oost-Afrika te liggen in Duits Oost-Afrika. De merkwaardige knik in de kaarsrechte grens tussen Kenia en Tanzania herinnert nog altijd aan dit verjaardagcadeau.

De berg die eens het symbool was van de koloniale aspiraties van Duitsland, is nu het vrijheidssymbool van Tanzania. Toen het land in 1961 zelfstandig werd, brandde op de hoogste top een vuur. Vanaf dat moment heet de piek Uhuru, Swahili voor 'vrijheid'.

Het kantoor van de opzichter van het Kilimanjaro National Park, mr B. Maregesi, is een houten bouwkeet vlak naast Marangu Gate, de toegangspoort tot het park waar voor de meeste klimmers de tocht begint. Op tafel staan houten olifanten en neushoorns, de muur hangt vol met schema's en grafieken. Daaruit blijkt dat in 1994 13.728 toeristen een poging deden de top te bereiken. Voor 1995 zal dat aantal ruim boven de 15.000 liggen. Op de populairste route, die vanuit het dorpje Marangu, gaan dagelijks vaak meer dan 100 toeristen naar boven. Tel daarbij de gemiddeld twee dragers per beklimmer en de gids die elk groepje verplicht begeleidt, dan kom je uit op 250 klimmers per dag. De 15.000 klimmers van vorig jaar nemen dus 37.500 Tanzanianen met zich mee naar de top van de hoogste berg van Afrika. Volgens opzichter Maregesi zijn dit “slechts de officiële cijfers. In werkelijkheid zijn het er nog veel meer, want ons controle-systeem is niet waterdicht”.

Waarschijnlijk is de Kilimanjaro de meest beklommen hoge berg ter wereld. De oorzaak van deze mondiale Kili-koorts ligt vooral in de omstandigheid dat het een hoogste berg van een continent is die voor iedereen met een goede gezondheid en conditie te beklimmen is. De kans om uit te vallen wegens hoogteziekte maakt de expeditie alleen maar extra spannend. Daarnaast oefent het zien van ijs op de evenaar een magische aantrekkingskracht uit. Toen de Duitse missionaris Johannes Rebmann in 1849 voor het eerst publiceerde over een ijsbedekte berg in de tropen, werd hij door de Engelse Royal Geographical Society zelfs belachelijk gemaakt. Ook nu nog maakt de kolossale berg grote indruk, vooral doordat hij dankzij zijn geïsoleerde ligging al van 100 kilometer afstand zichtbaar is.

Een andere grafiek geeft de geldstroom weer die de toeristen jaarlijks genereren: in 1985 was dat 15 miljoen Tanzaniaanze shilling, in 1994 1180 miljoen. De toeristen die de Kilimanjaro beklimmen moeten echter in dollars betalen, gemiddeld zo'n 600 per persoon. Hiervan vloeit 380 dollar direct naar TANAPA, het overkoepelende bestuursorgaan van alle twaalf nationale parken in Tanzania. De Kilimanjaro is samen met het veelbezochte safari-park Serengeti de grootste money-maker van TANAPA en ondersteunt daardoor weinig bezochte en nauwelijks genererende parken als Mahale en Kitavi.

Slechts een vijfde deel van de jaaropbrengst van ongeveer zes miljoen dollar keert terug in de kas van het Kilimanjaro National Park. Dat is veel te weinig om een park te onderhouden dat langzaam maar zeker dreigt te verdrinken onder de jaarlijkse toeristenstroom.

Dat slechts 20 procent van de klimmers de top haalt, doet niets af aan de vernietigende effecten van het jaarlijkse toeristenleger. Mr. Maregesi geeft aan waar de grootste problemen liggen. De dragers stropen de berg elke avond af op zoek naar brandhout om een potje te kunnen koken voor de klimmers, waardoor in snel tempo ontbossing van de hoger gelegen zones dreigt. Daarnaast is de Marangu-route nu zo druk, dat delen van het traject volledig kapot gelopen zijn. Deze stukken zijn nu afgesloten om te kunnen herstellen en de toeristen worden omgeleid, als een verkeersstroom bij wegwerkzaamheden. “Rond de Horombo-hut is geen takje meer te vinden,” zegt Maregesi. “De gidsen en dragers graven nu zelfs de wortels uit. In juli gaan we het gebruik van brandhout verbieden. We zullen dan kerosine-tanks plaatsen zodat er gekookt kan worden op branders. Om de druk te verminderen op de Coca Cola-route, zoals de Marangu-route ook wel wordt genoemd, zijn we de toeristen beter aan het verspreiden over de vijf andere routes.”

Het klinkt veelbelovend, maar het plan om kerosine-tanks te plaatsen blijkt al al vijf jaar oud te zijn, en ook van het spreiden van de toeristenstroom komt weinig terecht. Voor de Marangu-route geldt thans een officiëel maximum van 50 man per dag, overeenkomstig het aantal slaapplaatsen in de hutten. Maar voor wie niet terecht kan in de hut wordt zonder probleem een tent opgezet. Hierdoor ontstaan massale campings rond de hutten.

Wie de beklimming niet boekt via een peperdure adventure-organisatie in de VS of Europa, begint de expeditie in de stad Arusha, zo'n honderd kilometer ten westen van de berg. Ongeveer 150 bureautjes strijden daar om de gunst van de klimgrage toerist. Op straat word je onophoudelijk aangesproken (“You want to climb Kili, sir? Cheapest price!”). Zelfs de ober van het Chinese restaurant waar we de avondmaaltijd gebruiken, probeert ons naar zijn 'reisbureau' boven de eetzaal te lokken.

Onze keuze valt op een bureau dat ons na felle onderhandelingen voor 600 dollar per persoon gedurende zes dagen omhoog wil brengen via de Machame-route - die de mooiste heet te zijn. Voor dat bedrag krijgen we eten, een tent (op deze route zijn geen hutten), een slaapzak en skistokken om het lopen te vergemakkelijken. Ook het loon van gids en dragers is bij de prijs inbegrepen, maar het is gebruik ze na de tocht te trakteren op een dikke fooi, liefst in hard currency.

Dat de Machame-route het 'rustig alternatief' zou zijn voor de Coca Cola-trail blijkt al snel sterk overdreven te zijn. Grote groepen Fransen, Amerikanen en Japanners gaan mee omhoog. Tijdens de glibberige tocht van de eerste dag door het regenwoud komt het zelden voor dat je niets merkt van de aanwezigheid van anderen. De dragers die in ijltempo omhoog stormen, zijn op steile en gladde stukken zelfs hinderlijk. Dieren - het schijnt dat ze er zitten - worden al lang niet meer waargenomen. Uur na uur klimmen we door het dichte woud en pas aan het eind van de dag verraadt de verandering van de vegetatie dat we de boomgrens (rond de 3000 meter) naderen.

Op kamp 1 blijkt dat onze tent een gescheurd misbaksel is en dat stukken steen de afwezige haringen moeten vervangen. Het contrast met de hypermoderne en ultra-lichte koepeltentjes van de Fransen is groot. De manier waarop onze dragers echter een plastic kleedje voor onze tent uitspreiden en daarop de op sprokkelhout bereide maaltijd uitserveren is hartverwarmend. Een wat verdwaasde Sloveen wil bij het vallen van de duisternis onze zaklamp lenen om zijn dragers te zoeken: ze zijn nog altijd niet boven en hij vergaat van honger en dorst. Hij krijgt van ons geen licht (zaklampen zijn goud waard als het om zeven uur donker is) maar wel thee.

De volgende dag staat in het teken van de flora. Tussen de rotsen, op de meer beschutte plekjes, staan de meest fantastische planten. Een blik in onze gids leert dat het met name de Lobelia Deckenii (drie meter hoog) en de Senecio Cottonii (tot tien meter) zijn die veel indruk maken. Op bijna 4000 meter ligt kamp 2, midden op het kale en indrukwekkende Shira-plateau. De gletsjers van het topmassief zijn nu duidelijk zichtbaar. De gidsen en de dragers slapen in een grot, zittend tegen de rotsen.

De dag hierop is vrij zwaar, want er dient een col van 4650 meter te worden overwonnen alvorens af te dalen naar kamp 3 (Barranco) op 4100 meter. Twee jonge Japanners lopen met ons mee en het gaat niet goed met ze. Als ze in het kamp aankomen in een schitterende vallei vol met reusachtige Senecii, gaat een van hen van zijn stokje. We geven hem een Diamox-pil, een vermeend wondermedicijn tegen hoogteziekte waarvan we erg benieuwd zijn hoe het werkt. Na een half uur staat de Japanner weer op zijn benen.

De vierde dag passeren we het last water point, een beek in een ruim dal. De dragers nemen hier tot 25 liter water in. In de vallei zit een groep Amerikanen aan een gedekte tafel te lunchen. De dragers zijn veranderd in obers en dragen badges met opschriften als: Benjamin Nyamaa, waiter. Bijna 5000 dollar hebben de Amerikanen betaald om op de Kilimanjaro te kunnen staan. Duurder nog is de uitrusting die ze dragen. “We hebben maar 20 dagen vakantie per jaar”, zegt een van hen. “Bij jullie in Holland ligt dat heel anders. Ik kan me het niet permitteren om ook maar één dag te verliezen aan het organiseren van de tocht. Ik wil dat alles perfect geregeld is als ik uit het vliegtuig stap.”

De route loopt nu door kaal maanlandschap. Op het laatste stuk naar kamp 4 (Barafu) op 4700 meter komen veel klimmers in de problemen. We liggen net in ons tentje, als we iemand horen roepen 'hello you!'. Het is de Japanner van gisteren. “My friend very bad. You have more pills, please?” Maar ook zelf ziet hij er allerminst goed uit. We geven ze drie pillen. Een van onze dragers blijkt onder de last van 25 liter water in elkaar te zijn gezakt en wordt door enkele collega's opgehaald. De dragers krijgen drie dollar per dag, maar mogen tijdens de tocht gratis mee eten met de pot die door henzelf omhoog is gesjouwd. Dat maakt een baantje als drager aantrekkelijk.

De vijfde dag is de dag van de waarheid. Om 12 uur 's nachts staat iedereen op om bij zonsopgang op de kraterrand te kunnen zijn. De bijna zes uur klimmen in het pikkedonker, terwijl de zaklampjes vrijwel aan de handen vastvriezen, zijn afschuwelijk. We bereiken de ijszone juist op het moment dat de eerste zonnestralen doorbreken. Iets later staan we op Stella Point. De lichtjes van de stad Moshi, vijf kilometer onder ons, vervagen. Een uur later is de verovering van de hoogste berg van Afrika een feit. Tot onze stomme verbazing is de Japanner die ons gisteren om pillen vroeg dan al boven. Ook de Amerikanen met het geringe aantal vakantiedagen staan al op de top, breed lachend. Ze hebben er tenslotte genoeg voor moeten betalen.

Vanaf de top is de autoweg in een dikke twaalf uur te bereiken. We dalen af via de Coca Cola-route, die inderdaad veel minder mooi is dan de Machame-route. De hutten (Kibo en Horombo) blijken complete dorpen te zijn die 's avonds, als de tenten zijn opgezet, uitgroeien tot ware boomtowns. Beneden, bij Marangu Gate, staan overal groepjes toeristen afscheid te nemen van hun gidsen en dragers. Voor wie de top heeft bereikt of zelfs maar de krater is er een officiëel 'diploma'. Het is gebruik om de gids naast de fooi ook een uitrustingsstuk te geven: een jack, een muts, een paar handschoenen. Even verderop staan groepjes jonge mannen zichzelf weer te verkopen. “You need porter, sir? Me very strong!”

Bron: East African Handbook 1996.