De affaire Cellastic

Wetenschap, Cultuur en Samenleving. Maandblad van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs en de Vrije Universiteit. Maart 1996. Jaarabonnement ƒ 65,-; losse nummers ƒ 7,25

Het was de atoomfysicus Samuel Goudsmit die na de bevrijding van Parijs in september 1944 als eerste op de 'Cellastic-affaire' stuitte. Als hoofd van de geallieerde Alsos-missie, die direct achter het front opereerde, was de van origine Nederlander verantwoordelijk voor het in kaart brengen van de Duitse oorlogswetenschap. Cellastic was een van oorsprong Nederlandse firma die officieel octrooien en licenties verhandelde, maar zich tijdens de oorlog als dekmantelorganisatie van de Abwehr ontpopte om wetenschappelijke spionnage te bedrijven. Voor 'onderzoekingsarbeid' werden ook vier Nederlandse geleerden aangezocht: de Leidse natuurkundige W.J. de Haas, mede-directeur van het Kamerlingh Onnes Laboratorium, zijn assistent Jacob Kistemaker, de Amsterdamse hoogleraar scheikunde Jan Ketelaar en zijn vriend Jan Willem Zwartsenberg, leraar scheikunde op een HBS.

Deze schimmige affaire heeft al veel pennen in beweging gezet. Zo beweerde Wim Klinkenberg in de jaren zestig in een 'onthullende' artikelenserie voor het dagblad De Waarheid dat Kistemaker Duitsland tijdens de oorlogsjaren een atoombom had willen bezorgen. Wellicht was hij op het idee gebracht door een passage uit het rapport van de 'herstelcommissie' Idenburg, die kort na de oorlog over het Kamerlingh Onnes laboratorium meldde dat 'aldaar gedurende de bezetting geruime tijd Prof.Dr. W. Heisenberg werkte' - oktober 1943 was de Duitse natuurkundige enkele dagen in Leiden op bezoek geweest - en dat De Haas 'als gast van de Duitse legerleiding verscheidene malen het bezette Parijs bezocht om adviezen te geven omtrent verrijking van uranium'. Een beschuldiging die noch door Idenburg noch door Klinkenberg ooit met bewijzen is gestaafd.

Dat wil niet zeggen dat De Haas en Kistemaker goed zaten met hun activiteiten voor Cellastic. Door zijn omgeving is De Haas wel gekarakteriseerd als iemand die graag overal zijn neus in stak en zijn jonge assistent Kistemaker als voorpost naar Parijs stuurde om daar de boel in de gaten te houden. Goudsmit daarentegen had zijn oordeel snel klaar en verweet de Leidse hoogleraar 'ongekende naïveteit'. Na de oorlog is De Haas op advies van de commissie Idenburg enkele maanden als hoogleraar-directeur geschorst, maar na positieve getuigenissen van onder anderen de jurist prof.mr. E.M. Meijers (wiens ontslag in 1942 Cleveringa tot zijn befaamde rede inspireerde) in zijn functie hersteld.

Het hele verhaal over Cellastic zal wel nooit boven water komen: belangrijke archiefstukken zijn verloren gegaan. Bovendien was het materiaal dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) over de affaire verzamelde niet toegankelijk. Dat wil zeggen: tot 1990. Toen kreeg de student politicologie Rienk Kessenich via het presidium van de Tweede kamer alsnog inzage. Zijn onderzoek mondde uit in een doctoraalscriptie welke hij voorzien van een compleet embargo bij het RIOD deponeerde. Zes jaar later heeft de auteur het maandblad Cultuur, Wetenschap en Samenleving als eerste inzage gegeven.

Kessenich's conclusie, door feature-schrijver Mark Traa klakkeloos overgenomen, liegt er niet om: 'De vier waren collaborateurs van het zuiverste water'. Een opmerkelijk harde uitspraak, omdat verderop in het artikel wordt toegegeven dat 'van de vier geleerden niet precies - en soms vrijwel geheel niet - bekend is wat voor onderzoek ze precies voor Cellastic deden'. Dat de heren zich goed lieten betalen en gratis naar Parijs reisden, is voor Kessenich afdoende bewijs voor collaboratie en ook 'lijkt' het de politicoloog 'aannemelijk' dat de vier in Nederland hun werkzaamheden voor Cellastic hebben voortgezet.

Waar Kessenich 'betwijfelt' of het wel zo verstandig was dat De Haas het Kamerlingh Onnes Laboratorium gedurende de bezettingsjaren liet doordraaien, legt hij een onthutsend gebrek aan feitenkennis aan de dag. Er zouden volop aanwijzingen zijn dat talrijke Duitse onderzoekers bij De Haas kwamen, meent Traa in navolging van Kessenich. 'Dat zij steeds met lege handen vertrokken, lijkt onwaarschijnlijk.' In werkelijkheid zwaaide De Haas' leerling E.C. Wiersma, hoogleraar te Delft, als gevolg van ziekte van mede-directeur Keesom in Leiden de scepter. Samen spanden ze zich in om plundering van het instrumentarium zoveel mogelijk te voorkomen. Doordat het laboratorium open bleef, hoefden leerling-instrumentmakers niet naar Duitsland en ook bood Wiersma onderdak aan verzetsactiviteiten, zoals het vervalsen van stempels.

Traa zwijgt over dit alles. Zijn artikel in Wetenschap, Cultuur en Samenleving is een toonbeeld van morsige journalistiek, van het kritiekloos napraten van dubieus onderzoek. Intussen blijven de echte vragen onbeantwoord. Wat bezielde de vier zich met Cellastic in te laten? Was het geldelijk gewin? Zucht naar avontuur? De mogelijkheid tot contact met buitenlandse collega's? Contra-spionage? Wist Londen ervan? Waarom moest De Haas in 1944 van Londen vluchten? Had het te maken met het uranium dat hij kort voor de oorlog de regering had laten aanschaffen? Waarom moest De Haas in Londen in quarantaine? Liepen in Parijs, zoals Kistemaker beweert, Duitsers gewichtig te doen om maar niet naar het Oostfront te hoeven? Na vijftig jaar schimmigheid blijft Cellastic intrigeren.