ACADEMIËN

'Academies exist to keep the riff-raff out', zei een zeer oud lid van de Amerikaanse academie eens vergenoegd tegen me en daar zit iets in. De belangrijkste activiteit van wetenschappelijke academiën is het kiezen van nieuwe leden en als dat goed gebeurt, blijven zij de elitaire gezelschappen die ze van de aanvang zijn geweest. Gezelschappen waar men zich opwindt over wetenschap, over de interpretatie van proeven of documenten, of over theorieën, waarvan de maatschappelijke toepassingen niet direct voor de hand liggen.

Natuurlijk is het unfair om de term riff-raff te gebruiken. De keuze van leden gebeurt zorgvuldig, maar er wordt vast wel eens een genie gemist. Er is ook een zekere graad van rijpheid nodig om je voor een academie te kwalificeren. Er zijn dan ook meer goede onderzoekers buiten dan binnen de academie. Toch vinden de meeste onderzoekers het bevredigend om in zo'n elitaire club te worden gekozen. Ik bespeur ook wel eens enig leedvermaak over collega's die niet zijn uitverkoren, maar die best in de club zouden willen. In dat opzicht hebben academiën iets van de clubs, die op lagere scholen bloeien. Ook daar gaat het om wie er wel en niet in mogen en is het doel van de club soms wat schimmig.

Er zijn twee soorten academiën, het puur wetenschappelijke soort dat alleen onderzoekers opneemt, en het tweede type waarin ook andere verdienstelijke burgers een plaatsje kunnen krijgen. Zo kent de Hollandse Maatschappij voor Wetenschappen naast onderzoekers ook een categorie directeuren, afkomstig uit de top van Nederlandse bedrijven. Een aardige variant is de American Academy for Arts and Sciences. Naast een enkele direkteur van een groot bedrijf of een top civil servant, telt deze academie vertegenwoordigers uit de kunsten, zoals schrijvers, choreografen, architecten, schilders. Alle grote Amerikaanse schrijvers zijn lid en het geeft een warm gevoel om samen met Saul Bellow en Philip Roth in een academie te zitten. De Engelse Royal Society houdt het bij wetenschappers, maar maakt de gebruikelijke Engelse uitzonderingen: de leden van de Royal Family zijn q.q. lid en ook Margaret Thatcher, die een doctoraal Scheikunde heeft, werd eens aangeduid door de President van de Royal Society als 'our most influential fellow'.

Zoals alle clubs, hebben academiën ook toelatingsrituelen, die variëren van sober tot uitbundig. Heel sober is de toelating bij de Academia Europea, alleen een briefje dat je tot lid bent gekozen. In Angelsaksische landen gaat het uitbundiger toe. Daar worden echte feestavonden georganiseerd met muziek en een hand van de president. De President van de Royal Society houdt zelfs een minuut lang je hand vast en spreekt daarbij een volwaardige Latijnse spreuk uit. De Engelsen nemen hun academie ook erg au sérieux. De leden zetten FRS (Fellow of the Royal Society) op hun postpapier achter hun naam en in de academische wereld wordt er waarde aan gehecht.

De prijs voor het mooiste inwijdingsritueel gaat echter naar de Amerikaanse National Academy of Sciences. De Amerikanen zijn nogal gesteld op sociale erkenning en dat geldt zeker voor de verkiezing in de National Academy. Amerikaanse universiteiten vermelden in hun glossy folders niet alleen hoeveel Nobelprijs winnaars ze hebben maar ook hoeveel leden van de National Academy. De inwijding is dan ook een grote happening, waar de nieuwe leden met hun hele familie naar toe trekken. Kindertjes worden in smoking of baljurk gehesen en nog maar nauwelijks levende opa's en oma's worden uit afgelegen streken ingevlogen om dit feest mee te maken.

De Angelsaksische academiën beschikken over mooie boeken, waar de leden hun naam in mogen zetten tijdens het toelatingsritueel. Voor sommige geleerden is dat een reden om hun handtekening voor die gelegenheid wat leesbaarder te maken dan de gebruikelijke krabbel. Waar Isaac Newton en Sigmund Freud zo duidelijk hun naam hebben gecalligrafeerd wil een wetenschappelijk groentje uit de 20e eeuw natuurlijk niet achterblijven. Ik heb het hier uiteraard over de Record of the Royal Society, het boek waarin vanaf 1663 de namen van de Fellows staan. Aanvankelijk waren er nog geen buitenlandse leden en toen Leeuwenhoeck, Antonj van. (zo staat het in het boek) op 29 januari 1679 werd verkozen was dat als gewoon lid. De onvolprezen Antoni kende overigens Engels noch Latijn en zijn Nederlandse stukken die hij aan de Royal Society stuurde, werden in Londen vertaald. Vanaf 1813 worden buitenlanders als buitenlands lid benoemd maar het zal tot 1897 duren voor met Van 't Hoff het eerste Nederlandse buitenlandse lid wordt gekozen (tenzij ik iemand heb gemist).

Het lidmaatschap van een buitenlandse academie heeft voornamelijk nadelen. Voor de leuke dingen is het buitenland meestal te ver weg, en aan de vervelende dingen - eervol, maar saai advieswerk - valt moeilijk ontsnappen; die komen per post.

Sommige academiën publiceren een aardig blad, dat je als lid gratis krijgt. De Royal Society stuurt ieder kwartaal een blad met populair-wetenschappelijke artikelen, voer voor columns. Alleen de Amerikaanse National Academy kan zijn leden iets echt extra's bieden, namelijk een prestigieus wetenschappelijk tijdschrift, de Proceedings of the National Academy of Sciences USA. Er zijn uiteraard een paar regels waar die leden zich aan moeten houden, anders zou dit prestigieuze tijdschrift snel een wetenschappelijk vuilnisvat worden, maar een lid dat een werkelijk controversieel stuk geplaatst wil zien, kan zijn of haar wil doorzetten. Dit kan er zelfs toe leiden dat de redactie zich gedwongen ziet om een stuk van kritische kanttekeningen te voorzien. Zowel bij wijlen Linus Pauling met zijn enthousiasme voor vitamine C als panacee tegen alle kwalen, als bij Peter Duesburg, die niet wil geloven dat Aids door het Humane Immunodeficiëntie Virus (HIV) wordt veroorzaakt, is de redactie daartoe overgegaan.

Academiën zijn ontstaan in een tijd dat wetenschap iets was voor fanatieke zonderlingen die meestal in hun eentje bezig waren en die wel eens behoefte hadden om met gelijkgestemde hobbyisten ideeën uit te wisselen. Congressen en beroepsverenigingen bestonden niet en geleerde genootschappen en academiën hadden daarom een belangrijke functie als ontmoetingsplaats voor onderzoekers. Dat is uiteraard niet meer zo. Als ik met mijn collega's onderzoeksideeën uit wil wisselen ga ik niet naar het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, waar de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zetelt. Mijn actieve vakbroeders en -zusters vind ik elders. Wel zie ik in de academie oudere collegae, die aan de kant zijn geschoven omdat ze de 65 zijn gepasseerd. Voor hen heeft de academie zijn ontmoetingsfunctie behouden. De academie is een reservoir van oudere, begaafde onderzoekers en daarom een bron van makkelijk mobiliseerbare kennis. Daar wordt ook in de meeste landen gebruik van gemaakt.

Die wetenschappelijke adviesfunctie werkt het beste als een academie verder niet zoveel om handen heeft. Belangrijke adviezen gaan vaak over maatschappelijk heikele problemen, waarbij populaire opvattingen niet stroken met de wetenschappelijke inzichten. Een goed functionerende academie zal daarom geregeld adviezen uitbrengen, die de overheid slecht uitkomen. Die adviezen moeten puntig geformuleerd worden en krachtig worden rondgebazuind door de academie zelf zonder filtering door de overheid. Echte wetenschap heeft vaak een subversief element en een echte academie houdt daarom de overheid op armlengte afstand. Het is onpraktisch als je op maandag een impopulair advies moet uitbrengen en op dinsdag geld bij diezelfde overheid moet vragen voor het instandhouden van academie-instituten. Een academie moet daarom zuinig zijn met het aantrekken van beheerstaken. Daarmee groeit weliswaar macht en aanzien, maar ook het bureaucratische apparaat en daarmee de afhankelijkheid van de overheid. Hoe meer beheerstaken hoe belangrijker het wordt dat academieleden ook geselecteerd worden op bestuurlijke bekwaamheden en voor je het weet is de club van geniale zonderlingen vervangen door de zoveelste club van bovenbaasjes. Het maatschappelijk nut van de academie als een unieke verzameling van wetenschappelijke kennis en talent kan daarmee in het gedrang komen.

Omdat de Angelsaksische academiën hun buitenlandse leden met evenveel zorg kiezen als hun binnenlandse, is het wel aardig om te zien welke Nederlanders nu tot deze clubs behoren. Qua vakgebieden zijn het de Nederlandse sterrenkundigen en natuurkundigen die het beste scoren. Van de 103 buitenlandse leden van de Britse Royal Society zijn er vier afkomstig uit Nederland en drie van hen (Casimir, Koiter en Van de Hulst) komen uit de exacte hoek. De Amerikaanse National Academy telt zes Nederlanders onder de krap 300 buitenlandse leden, en ook daarvan kijkt de helft naar sterren of elementaire deeltjes. Aannemend dat de lichtsterkte van de wetenschappelijke sterren ook iets zegt over de gemiddelde kwaliteit van hun vakgebied - en dat lijkt mij aannemelijk - dan zijn de Nederlandse sterrenkunde en natuurkunde dus relatief erg goed, zoals recent trouwens ook voor de sterrenkunde is gebleken bij doorlichting door buitenlandse deskundigen.

Andere vakgebieden in Nederland, die zich breed maken en die ook meer onderzoekers tellen, vallen bij deze vergelijking lelijk door de mand. Dit is geen pleidooi om de doorlichting van vakgebieden te staken en voortaan maar te kijken naar lidmaatschappen van buitenlandse academiën. Die leden zijn meestal boven de 60 en het kan dus vergane glorie zijn. Er zijn meer goede onderzoekers buiten dan binnen de academie.