Drank en weed

Ons land heeft een traditie in de illegale produktie van geestverruimende middelen en de bestrijding ervan. Toen in de jaren dertig crisis en werkloosheid heersten las je dikwijls in de krant: clandestiene jeneverstokerij ontdekt. De onderklasse zocht vergetelheid in de drank. De van staatswege goedgekeurde jenever was vanwege de accijns te duur. Kleine ondernemers, vooral in Brabant, richtten in hun schuur een stokerij in, maakten daar betaalbare accijnsloze jenever en werden na verloop van tijd ontdekt: de omwonenden ondervonden overlast en waarschuwden de politie. De clandestiene stoker kon vier jaar gevangenisstraf krijgen.

Het verzuilde Nederland had toen negen organisaties voor de drankbestrijding. De beweging leeft voort in de taal: Ach vader, niet meer! - het onderschrift bij een affiche dat overigens veel ouder is, een dronkaard met zijn hoofd op een cafétafeltje. De drank was 'volksvijand nummer één', een bij de wet geregeld kwaad, in een overwegend christelijk en conservatief land. De felste drankbestrijders kwamen uit paternalistisch-christelijke en socialistische kring: die waren van de Blauwe Knoop.

Dit korte overzicht leert hoe de Nederlandse samenleving is veranderd. De alcohol wordt niet meer als ernstige volksvijand gezien. Drank maakt wel slachtoffers in alle lagen van de maatschappij, maar de bestrijding van het alcoholisme is geen onderwerp van politieke discussie. Clandestiene stokers plegen een misdrijf, maken geen aanspraak op een soort martelaarschap en worden zonder poespas berecht. De legale consumptie is door de staat zwaar belast en geen volksvertegenwoordiger voelt zich daardoor in zijn geweten aangetast. De laatste openbare vermaning komt van de drankindustrie zelf: het geniet maar drink met mate, een reclame met ingebouwd aflaatbriefje.

Zou het zo op den duur ook kunnen gaan met het kweken en genieten van softdrugs? Wie weet. Maar degenen die hier tegenover elkaar staan gebruiken andere argumenten. Curieus om te beginnen is het dat links, of wat daarvan over is, het krachtigst voor legalisering pleit. Het congres van de PvdA heeft zich er onlangs voorstander van verklaard. Volksopvoeders, strijders voor de verheffing van de misdeelden en de vertrapten die pleiten voor de legalisering van een geestverruimend middel: Pieter Jelles Troelstra, Henriëtte Roland Holst en Willem Drees hadden ervan opgekeken.

Het congres van vorige maand in Zwolle heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de geestverruiming ook moest worden belast. Bij ieder gelegaliseerd genot hoort een fikse belasting; dat ligt in de natuur van onze staatsvorm. Je kunt niet volstaan met de hypothese dat door het genot vrij te laten, de misdaad wordt bestreden. Misschien is dat op een paradijselijk eiland denkbaar, maar ook daar zou het nog moeten worden bewezen. Het congres van de PvdA heeft, met andere woorden, een zeer zware wissel getrokken op de braafheid van de mensen die in Nederland wonen en daarbij verondersteld dat de minder brave bezoekers hier vanzelf tot inkeer komen.

Over veertien dagen gaat de Tweede Kamer de drugsnota behandelen. Daarbij zullen alle tot op de draad versleten argumenten nog eens uitvoerig worden gebruikt. Legalisering is uitgesloten. Het zal dus gaan om de vraag, waar de grenzen van het gedogen liggen. Valt daar eigenlijk wel over te debatteren? Gedogen is een vaag begrip met wisselende inhoud. Gedoogpolitiek komt voort uit een opvatting van doelmatigheid. Het verbodene wordt toegestaan zolang het niet te dol wordt. In dat geval is het niet de moeite waard, er veel aandacht en energie aan te besteden. Oogluiken is een luie handeling.

Maar de overheid herinnert zich weer de wet zodra de vage, telkens hernieuwd omschreven grens van het gedogen steeds verder wordt overschreden. Als, met andere woorden, wordt geprobeerd een gedoogpolitiek scherp te definiëren, betekent dit dat de doelmatigheid is achterhaald. De aanvankelijk vage gedoogaanwijzing nadert tot wet en daarmee heeft de overheid heeft zich haar flexibiliteit laten ontnemen. Op het gebied van het gedogen der softdrugs is Nederland langzamerhand in deze situatie gekomen.

Ook in het verwante buitenland wordt van alles en nog wat gedoogd en daartoe horen de softdrugs. Onlangs zat ik in de trein tussen Oberhausen en Dortmund, een vervuild boemeltje. Het stond blauw van de hasjdamp, daar verspreid door de gepiercte voorhoede van de Noordrijn-Westfaalse jeugd. Later hoorde ik dat deze verbinding ook als de shit-train bekend staat. De conducteur werd beschermd door een politieman die er alleen op lette dat het kaartjes knippen zich vreedzaam kon voltrekken. Een duidelijke vorm van gedogen, gemotiveerd door doelmatigheid. Ik gebruik het niet als bewijs maar ik beschouw het wel als een aanwijzing. In New York zijn hele wijken waar noodgedwongen alles behalve moord en zware geweldpleging wordt gedoogd. In Hollywood put men daar dan weer inspiratie uit.

De praktijk van het gedogen heeft hier te lang geduurd om er een eind aan te maken (ervan afgezien of dat al dan niet voor deze of gene partij goed zou zijn). Het verschil tussen de toestanden in het verwante buitenland en de onze is dat wij er twee vraagstukken van hebben gemaakt: een binnenlands en een buitenlands. Dat komt doordat we het gedogen met een typisch Nederlands legalistisch perfectionisme behandelen. De Nederlanders willen het onmogelijke: het gedogen in een wet vastleggen. Daaruit ontstaat discussie, publiciteit, sensatie, misverstand. De wet komt er niet, maar intussen wordt de aandacht geconcentreerd op wantoestanden waartegen eigenlijk wettelijke maatregelen moesten worden genomen. Zo wekken we de indruk, nalatig jegens het kwaad te zijn. Zo maken we van een binnenlands probleem buitenlandse politiek. Dan reageert het buitenland en 'eist' aanpassing. De nationale trots wordt geprikkeld: daarvoor zal Nederland niet buigen. Tenslotte is het zover dat uit het binnenlands gedogen een escalatie in de buitenlandse politiek groeit.

Gedogen hoort ondershands te gebeuren en binnen de grenzen van de doelmatigheid te blijven. Zoals de Walen zeggen: Ça s'arrange. Nederland is minder uitzondering dan in het buitenland wordt gedacht (en hier weleens wordt gehoopt of gewild door degenen die van het blowen een nationale ideologie proberen te maken.)