Dialectologie

Je kunt mensen niet dwingen tot een bepaald taalgebruik. Niet alleen omdat taal op een spontane wijze gegenereerd wordt, maar uiteindelijk ook omdat niet in marmer staat uitgehouwen hoe de regels luiden. Al beweren alle schoolmeesters dat het 'groter dan' moet zijn en niet 'groter als', wanneer op een gegeven ogenblik iedereen het over 'groter als' heeft, dan is deze spreekwijze automatisch goed geworden. Je kunt daar over treuren, zoals je ook elke keer een ingezonden brief kunt schrijven, wanneer je iemand betrapt op het verkeerd toepassen van de uitdrukking 'éminence grise' of het gebruiken van het formeel niet-bestaande woord 'behartenswaardig' (in plaats van 'behartigenswaardig'), maar het blijven windmolengevechten, zeker als het over spreektaal gaat.

In de schrijftaal heerst meer consensus over de regels dan in de spreektaal, maar ook hier geldt dat de regels in diepste zin arbitrair zijn. Juist die arbitrariteit is het belangrijkste argument tegen spellingsverandering. De Nederlanders kunnen verdeeld worden in degenen die betrekkelijk foutloos spellen (een kleine groep) en degenen die er weinig van terecht brengen (de meerderheid). Waarom zou je nu vanwege een futiliteit als 'kippeëi' of 'produkt' de kleine groep die de oude regels beheerst gaan dwingen om nieuwe regels aan te leren, terwijl de grote groep van krukkige spellers er geen fout minder om zal maken? Dit lijkt een bij uitstek zinloze exercitie.

Als de overheid al een taak heeft op het gebied van taal, dan ligt die in de conservatie van de schrijftaal en niet in het vernieuwen, want dat kunnen de taalgebruikers zelf wel af. Zo mogelijk nog irritanter dan het sleutelen aan irrelevante taalmankementen als wel of geen tussen-n in samengestelde woorden is het oprichten van constructies daar waar er niets is! Het Nedersaksisch bijvoorbeeld. De regering heeft op aanvraag van het Sont (een organisatie van streektaalverenigingen) het Nedersaksisch erkend als (minderheids)taal en ziet zich geplaatst voor een 'globale inspanningsverplichting' ten aanzien van deze taalvariant.

De dubbele straatnaambordjes doemen alweer op. En het onderwijs in de eigen Nedersaksische taal en cultuur. En de trotse, stijfkoppige Tukkers die onvermoeibaar doorgaan met het produceren van literatuur die blijkbaar door niemand die ertoe doet erkend wordt, want een vertaling heb ik nog nooit gezien. Het is allemaal van een kneuterigheid om wee van te worden. Stompzinnige folklore. Een uit de hand gelopen hobby van sentimentele dialectologen die 25 jaar te laat alsnog op het idee komen om hun wetenschappelijke activiteiten te injecteren met een dosis 'maatschappelijke relevantie': weet je wat, laten we een taal gaan redden die op uitsterven staat.

Het absurde is dat de opzet nog lijkt te slagen ook. Als het aan de voorvechters van het Nedersaksisch ligt (de regering heeft zoals gezegd een 'inspanningsverplichting') zullen de kindertjes in Dalfsen en Schoonebeek zich op school niet alleen met 'hij wordt' met -dt moeten bezighouden en met 'pannenkoeken', maar ook met 'reuken bij oes op de boerdery' (verschillend gespeld al naar gelang een van de zes vigerende spellingen per onderscheiden Saksische regio). En waarvoor al die moeite? Zeker om te genieten van de veronachtzaamde schat aan Nedersaksische literatuur, of om 's avonds in je schommelstoel bij het licht van een olielampje je Nedersaksische huis-aan-huisblad door te ploegen of om de jaarlijkse toespraak te volgen van de (oorspronkelijk uit Zierikzee afkomstige) burgemeester die een spoedcursus Nedersaksisch erop heeft zitten omdat voortaan het midwinterblazen in stijl moet worden aangekondigd.

Om deze zieltogende taal te redden moet zij worden opgelegd en afgedwongen. Maar de gewone Nedersaks (voor zover die nog bestaat en niet verwaterd is tot gewone Nederlander) is helemaal niet geïnteresseerd in formele taalbouwsels van dialectologen. De noodzaak daartoe ontbreekt ook, want wie moet ooit een foutloze sollicitatiebrief in het Nedersaksisch schrijven?

De dialectologen vinden intussen dat de mensen opgepord moeten worden om de streektaal meer te gebruiken. Maar net zo min als het in Frankrijk zal lukken om het Engels uit de spreektaal te bannen, zal het hier lukken om van het Nedersaksisch iets serieus te maken. Een taal bloeit niet op commando.