De judoka's en de vragen

Jan Mulder, de sportcolumnist van de Volkskrant, heeft het erg moeilijk met de houding van de drie vrouwelijke judoka's, die onlangs hun coach Peter Ooms in opspraak brachten. De judoka's betichten Ooms van seksueel misbruik. Het leidde tot een gedenkwaardige uitzending van het sportprogramma Barend & Van Dorp op RTL4, waarin de dames voor het eerst volledige opening van zaken gaven.

Mulder verwijt de sportjournalistiek - en Barend en Van Dorp in het bijzonder - dat zij de judoka's onvoldoende aan de tand heeft gevoeld. “Wat opvalt”, schreef Mulder afgelopen maandag in een voor zijn doen zeer ernstig stuk, “in het debat over het vermeende seksuele misbruik van de judoleraar is de volstrekte afwezigheid van kritische vragen aan de seksueel misbruikte judoka's. Kritische vragen over hun reacties op de leraar in de loop der tijden, niet over het waarheidsgehalte van de aanklacht.”

Mulder sluit zijn stuk af met het advies: “...richt ook eens een kritisch woord aan het adres van de slachtoffers, niet om de schuld aan de verkeerde kant te zoeken, maar om het gedrag dat de misbruikten zo nu en dan aan de dag hebben gelegd als voorbeeld te geven van hoe het niet moet...”

Als ik deze zinnen lees, krijg ik het gevoel dat ik de afgelopen weken een heel ander debat heb gevolgd. Een debat waarin juist kritische vragen werden gesteld aan de judoka's, zó kritisch zelfs dat ze besloten in de tegenaanval te gaan (overname van de greep, noem je dat in het judo) door middel van een optreden bij Barend en Van Dorp.

Die 'kritische vragen' hoorde je toch overal om je heen? In Tilburg werd zelfs over niets anders meer gepraat. Waarom hebben ze nooit eerder iets gezegd? Waarom keerde Irene de Kok als werkneemster bij Ooms terug? Kortom, zou het eigenlijk wel zó erg geweest zijn?

Het bijzondere van de uitzending van Barend en Van Dorp was, dat we op al die vragen antwoord kregen. Misschien was de toon van de interviewers minder kritisch dan we van hen gewend zijn, maar de vragen waren er wel degelijk. En omdat de dames ze niet uit de weg gingen, werd het een heel verhelderende uitzending. Bij de Riagg kunnen ze alle voorlichtingsfilmpjes over seksueel misbruik en de gevolgen daarvan, zó uit het raam kieperen en vervangen door deze ene uitzending van Barend & Van Dorp.

Alleen al in Nederland kunnen tienduizenden vrouwen (en mannen, zij het minder) aan Jan Mulder en andere critici op dezelfde vragen hetzelfde antwoord geven als Irene de Kok, Monique van der Lee en Anita Staps. Het zijn vragen die in elk nieuw geval weer gesteld zullen moeten worden, maar wees niet verbaasd als de antwoorden identiek zijn.

De affaire van de judoka's deed mij van meet af aan sterk denken aan het doorsnee incestdrama, zoals dat bijna elke week wel ergens door een Nederlandse rechtbank behandeld wordt. Ook Staps vergeleek het met incest. “Het erge is dat mensen niet begrijpen dat het zo lang kan duren”, zei ze.

Dat onbegrip proef ik ook bij critici als Jan Mulder. Ik herken het maar al te goed. Toen ik als verslaggever de eerste incestzaken voor de rechtbank meemaakte, betrapte ik ook mezelf steeds op vragen als: “Waarom heb je het zo lang laten duren? Waarom heb je je vader niet een enorme dreun gegeven en ben je niet voorgoed vertrokken? Waarom heb je je aangifte proberen in te trekken toen je merkte wat de consequenties voor hem waren? Waarom ga je hem in de gevangenis opzoeken alsof er niets gebeurd is?”

Maar als je veel van dergelijke zaken hebt meegemaakt, begin je het patroon in de reacties te herkennen. Dan leer je in te zien dat bij het onvoorstelbare - dat blijft het voor buitenstaanders - geen logisch gedrag past.

De verhalen van de judoka's bevatten alle elementen die kenmerkend zijn voor een incestsituatie (en ook voor bijvoorbeeld de zware mishandeling van vrouwen in huwelijken). Het isolement, de afhankelijkheid, de schuldgevoelens - het is het fundament waarop de incestdader zijn schrikbewind vestigt.

De judoka's waren vanaf kindsbeen door Ooms 'opgevoed', hij was hun tweede vader geworden. Zijn gezag strekte zich uit tot hun ouderlijk huis. Anita Staps vertelde dat Ooms, toen ze thuis ziek te bed lag, onbeschaamd naar haar slaapkamer doorliep (en meteen toetastte). Hij was óók, zoals Staps met nadruk zei, “je god, je vader, je vriend”. Hij koesterde 'zijn' kinderen, hij had misschien wel meer aandacht voor hen dan hun biologische vader, kortom, hij gaf hun een gevoel van eigenwaarde dat alleen intact bleef zolang het van hèm afkomstig was.

Toen ze op eigen benen moesten staan, merkten ze dat ze nauwelijks zonder hem konden. Irene de Kok vertelde dat ze zich opeens nietswaardig voelde in een onbetekenend baantje in Rotterdam. En dus ging ze terug naar Ooms.

Dat lijkt onverstandig. Om met Jan Mulder te spreken: 'Een voorbeeld hoe het niet moet'. Maar wie zijn wij om dat - en ook nog achteraf - te bepalen? Een slachtoffer dat, gedwongen door een emotionele noodzaak, terugwil naar de dader, moet dat zeker proberen. In de hulpverlening heerst de laatste jaren de tendens om de partijen, als het even kan, weer bij elkaar te brengen.

Pas als die dader niets van het verleden geleerd heeft, ontstaat een nieuwe situatie. Dan moeten er zwaardere middelen beproefd worden om hem tot staan te brengen: een tv-uitzending bijvoorbeeld.