Chinese premier erkent problemen landbouw

PEKING, 6 MAART. De Chinese premier Li Peng heeft gisteren erkend dat er in de Volksrepubliek China een graantekort bestaat door onderinvestering in de landbouw. In zijn toespraak tot het Nationale Volkscongres, het Chinese parlement, kondigde Li maatregelen aan om de produktie te verhogen.

De graanopbrengst in China is de laatste jaren vrijwel gelijk gebleven omdat het accent gelegd werd op de industriële produktie en het aantal boeren afneemt. Aangezien de bevolkingsgroei, ondanks de één-kind-politiek, nog altijd aanzienlijk is (1,4 procent toename per jaar tussen 1985 en 1995) daalt de hoeveelheid binnenlands geproduceerd graan per hoofd van de bevolking. De consumptie van graanhoudende produkten is door de gestegen welvaart sterk toegenomen. China moest zijn tekorten de afgelopen jaren dekken met importen.

De Amerikaanse landbouwdeskundige Lester Brown voorspelde vorig jaar dat de landbouwproduktie in China in de volgende eeuw relatief zo sterk zal teruglopen dat door de Chinese import de internationale graanvoorraden uitgeput kunnen raken. De Chinese regering reageerde toen zeer afwijzend op Browns bevindingen en ontkende problemen in de landbouw. Maar gisteren gaf de regering bij monde van Li Peng toe dat de landbouw in het slop zit.

Peking is huiverig voor een te grote afhankelijkheid van buitenlandse graanimport om zijn mensen - volgens Li Peng tegen het jaar 2000 1,3 miljard in aantal - te voeden. Li hoopt via een sanering van de kleine boerenbedrijven de produktie per hectare te kunnen opvoeren. De Chinese landbouw drijft nu vooral op inefficiënte familiebedrijven.

Door de grotere vraag naar graan en prijsstijgingen is de inflatie aangewakkerd. Peking wil juist de geldontwaarding, in 1994 nog goed voor een naoorlogs record van 24 procent, dit jaar terugdringen tot 10 procent. Om de graanprijzen in de hand te houden zal de overheid de prijzen die zij aan de boeren betaalt verhogen om de voedselvoorziening te waarborgen, zei minister van staatsplanning Chen Jinhua. China mikt, in het kader van het vijfjarenplan 1996-2000, op een gemiddelde economische groei van 8 procent per jaar. (Reuter)