100 JAAR (23); Salò o le 120 giornate di Sodoma

De meeste exegeten en bewonderaars van Pier Paolo Pasolini (1922-1975) houden niet van zijn laatste film.

Die afkeer van Salò o le 120 giornate di Sodoma, een kort voor zijn dood in november 1975 voltooide vrije bewerking van markies De Sades 120 dagen van Sodom, werd gedeeld door de censor in Italië en veel andere landen, maar ook door het publiek. Ik vind het Pasolini's beste film, zeker na de onbenullige boertigheid van zijn 'trilogie van het leven', drie scabreuze hervertellingen van de Decamerone, de Canterbury Tales en de verhalen uit 1001 nacht. Het eerste deel van Pasolini's beoogde 'trilogie van de dood' is vaak onverdraaglijk, maar juist daarom van een grootse allure. Zet deze strak vormgegeven, ijzig kille staalkaart van het kwaad nu eens naast de uit dezelfde periode stammende, meer prettig-decoratieve Italiaanse sadomasochistische verkenningen naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog (Liliana Cavani's De nachtportier/ Il portiere di notte en Luchino Visconti's The damned/ La caduta degli dei), en het modieuze kaf scheidt zich vanzelf van het koren.

Vier machthebbers uit de bourgeoisie in de postfascistische republiek van Salò (1944-45) hebben zich teruggetrokken in een met kubistische kunstwerken volgehangen villa en verlustigen zich, onder begeleiding van pianospel en declamatie, aan gevangengenomen maagden en knapen. De slaven en slavinnen worden onderworpen aan totale machtsuitoefening en systematische marteling. Het grootste deel van de tijd zijn zij naakt; de associatie met de concentratiekampen is niet toevallig.

Zocht Pasolini in zijn meeste films altijd naar de vitaliteit van de onderdrukte proletariërs, die vaak vrolijk door het beeld huppelen, nu benadert hij zijn thema - de vernietiging van de volkse levensdrift - van de andere kant en ontkomt niet aan een confrontatie met zijn (en onze) fascinatie door het Kwaad. Pasolini heeft vooral goed begrepen dat de ware misdadigheid in distantie schuilt. Als op het gazon voor de villa het echte scalperen en vierendelen begint, mag om beurten een van de machthebbers het tafereel door het raam met een kijker bespieden.

Op zeker moment besluit een van hen deze om te draaien, om de afstand nog groter te maken. De pianiste houdt dan abrupt op met spelen, klimt naar de bovenste verdieping, kijkt uit het raam en springt naar beneden: een van de weinige momenten van verlossing in een monumentaal-morbide film.