Misplaatste zones

Sinds het midden van de jaren tachtig draait de banenmachine in Nederland op volle toeren. Ondanks reorganisaties en bedrijfssluitingen groeide de 'witte' werkgelegenheid in de officieel geregistreerde economie na 1984 per saldo met 1,2 miljoen arbeidsplaatsen. Voor een deel was deze prestatie te danken aan het feit dat in ons land veel meer dan elders betrekkelijk vaak in deeltijd wordt gewerkt. Worden deeltijdbanen omgerekend in arbeidsjaren, dan verliest het succesverhaal echter nauwelijks glans. Uitgedrukt in volle banen nam de werkgelegenheid het afgelopen decennium toe met driekwart miljoen arbeidsjaren. Hoezo, baanloze groei? Belangrijke oorzaken van de banenexplosie waren de betrachte loonmatiging en de versmalling van de 'wig', dat is de kloof tussen loonkosten en nettoloon. In 1984 ging 47 procent van de loonkosten van een doorsnee werknemer naar de fiscus en de bedrijfsvereniging, tegen slechts 40 procent dit jaar.

De spectaculaire groei van de witte werkgelegenheid is grotendeels aan de binnensteden voorbij gegaan. Oudere wijken zijn als gevolg van verkeersmaatregelen en filevorming steeds moeilijker bereikbaar, waardoor veel hoogwaardige dienstverlening (banken, accountantskantoren en automatiseringsbedrijven) naar de rand van de stad is verhuisd. Al in de jaren zeventig gaf de overheid het voorbeeld: nieuwe universiteitscomplexen en ziekenhuizen verrezen in de polder. Ook nogal wat kleinere bedrijven zijn in het recente verleden door steeds hoger opgeschroefde milieueisen uit de binnensteden verdreven. Probleembuurten in de grote steden vormen voor automobiele consumenten bovendien een weinig aantrekkelijk winkelgebied.

Onder andere door deze oorzaken ontstaan voor uitkeringsontvangers in de eigen wijk en de directe omgeving daarvan weinig officiële banen. Ook al valt daar nog weinig van te merken, het kabinet voert al enige tijd een grote-stedenbeleid. Dit is er onder meer op gericht probleemwijken een economische impuls te geven. Een maand geleden lanceerden staatssecretaris Kohnstamm van Binnenlandse Zaken en zijn collega Vermeend van Financiën hiertoe een nieuw initiatief. Ingaande 1 juli 1996 mogen twee grote steden een 'kansenzone' aanwijzen. Hier zullen bepaalde regels soepeler worden toegepast, waaronder naar verluidt milieuwetten. De voorgenomen versoepeling van wet- en regelgeving moet bedrijven ertoe verleiden zich in aangewezen stadswijken te vestigen. Ook worden ondernemers fiscale voordelen in het vooruitzicht gesteld. Werkgevers hoeven er straks minder loonbelasting en sociale premies te betalen wanneer zij werknemers in dienst nemen die langer dan een halfjaar werkloos zijn. In de rest van Nederland geldt deze tegemoetkoming eerst voor werknemers die al langer dan een vol jaar aan de kant staan. Tevens krijgen mensen die via beleggingsfondsen of rechtstreeks als particulier in kansenzones investeren een ruime vrijstelling voor ontvangen rente en dividend. In de rest van Nederland vindt deze 'tante Agaath-regeling' uitsluitend toepassing om jonge en startende bedrijven aan kapitaal te helpen.

In Den Haag is de denkkracht hiermee wel uitgeput. T. van den Klinkenberg, ambtelijk projectleider grote-stedenbeleid, erkent in de Volkskrant van 10 februari jongstleden: “Wij praten al heel lang over kansenzones, maar niemand kan het idee concretiseren.” Bovendien maken ambtenaren van de meest betrokken departementen, zoals gebruikelijk, onderling ruzie. Die van VROM vrezen bijvoorbeeld dat bij pogingen de oude wijken nieuw leven in te blazen de kwaliteit van de leefomgeving in de binnensteden het te veel zal moeten ontgelden. Omdat denk- en daadkracht in Den Haag tekort schieten, heeft de rijksoverheid het gemeentebestuur van de vier grote gemeenten uitgenodigd vóór 1 mei 1996 een voorstel in te dienen voor een kansenzone in de eigen stad. Het kabinet kiest vervolgens twee steden uit, waar dan op 1 juli aanstaande het experiment van start mag gaan.

Deze zoveelste poging de economische bedrijvigheid te sturen met behulp van discriminerende subsidies lijkt bij voorbaat tot mislukken te zijn gedoemd. Ondernemers laten zich niet verleiden door kadootjes uit de fiscale grabbelton. Zij worden afgeschrikt door het papierwerk dat is gemoeid met het aanvragen van belastingsubsidie. Voorzover soepele hantering van milieuregels voor bedrijven hun 'verborgen beleidskosten' vermindert, leidt dit tot grotere overlast voor omwonenden en wordt de legitimiteit van het milieubeleid (verder) aangetast. Kansenzones vervalsen bovendien de concurrentieverhoudingen.

Het hele initiatief is achterhaald. In veel binnensteden zijn mede als gevolg van gemeentelijk gedoogbeleid al lang en spontaan informele kansenzones tot stand gekomen. Bij verbouwingen en het inhuren van personeel lichten starters massaal de hand met bestaande regels en met hun fiscale verplichtingen. Prostitutie, de exploitatie van gokpaleizen en de omzet van 'zachte' en 'harde' roesmiddelen geven een belangrijke economische impuls aan oude wijken. Dergelijke nering verschaft veel kansarme ondernemers een goed tot uitstekend belegde boterham.

Met het aangekondigde onderdeel van het grote-stedenbeleid hebben Haagse beleidskeizers zichzelf in hun blootje gezet. Officiële kansenzones zijn hooguit geschikt om een miniem stukje te legaliseren van het omvangrijke zwarte circuit, dat al jarenlang schuimt en bruist in de oude wijken van de grote steden. Witte banen zullen de plannen nauwelijks opleveren.