Luns' collega's misten internationaal inzicht

In een artikel op de opiniepagina van 8 februari prikt professor Kersten de mythe door dat in de Nieuw-Guinea-kwestie door minister Luns een steunverklaring van zijn Amerikaanse ambtgenoot Dulles zou zijn bedacht of althans achtergehouden: het 'papiertje van Luns'.

Op 22 februari publiceerde de krant reacties van dr. Giebels en mr. Huydecoper. Uit die discussie wordt duidelijk waar het over ging. Beide betreffende documenten zijn in extenso afgedrukt in mijn proefschrift en daarin is ook vermeld dat de verklaring van Dulles in een perscommuniqué is gepubliceerd. Geen geheimhouding dus.

Waar het om gaat is de interpretatie. Wat was zo'n verklaring waard? Welnu, nog zo'n papiertje: “De Partijen komen overeen [...] dat indien een gewapende aanval plaatsvindt ieder van hen de aangevallen partij zal bijstaan [...] door op te treden op de wijze die zij nodig oordelen - met inbegrip van het gebruik van gewapende macht [...]” Dit is artikel 5 van het Noord Atlantisch Verdrag, het dictum waar de gehele NAVO op stoelt.

Stel nu eens: het is weer 1980 en de Sovjets erkennen de Noorse jurisdictie over Spitsbergen, in 1919 bij verdrag aan Noorwegen toegewezen, niet langer. Zij hebben al enkele incidenten uitgelokt. Nederland, ondertekenaar van het Spitsbergen statusverdrag, maakt zich ernstige zorgen dat een gewapende aanval op handen is. De minister van Buitenlandse Zaken, niet gerust op de vage tekst van artikel 5, spreekt zijn Amerikaanse collega aan. Die laat de volgende dag in het openbaar verklaren dat Amerika vasthoudt aan het principe dat geen geweld mag worden gebruikt om territoriale wijzigingen tot stand te brengen en dat dit ook op Spitsbergen slaat.

Dat is leuk om te horen voor Nederland, maar het gaat er om dat die boodschap gehoord en begrepen zou zijn in het Kremlin. De lezer begrijpt al dat de geschetste gang van zaken en bewoordingen letterlijk die is van Dulles in 1958. Ook toen ging het erom dat Jakarta meeluisterde. Dat lukt, Soekarno hield zich koest.

Maar hoe zat het dan met de militaire steun? Speak softly, but carry a big stick. Amerika had op de Filippijnen in ruime mate parate oorlogsschepen, vliegtuigen en mariniers om direct in te grijpen. Australië had in Queensland enige bataljons, getraind in jungle warfare, bij de hand. Het Amerikaanse beleid was erop gericht zo min mogelijk wapens naar dit spanningsgebied te zenden en weerhield de Sovjets ervan dat wel te doen. Maar Washington verzette zich er niet tegen dat Nederland wapens, geschonken voor de verdediging van Europa, naar Nieuw-Guinea zond. Dat gold zelfs voor twee onderzeeboten die wij te leen hadden van de US Navy.

De proef op de som. In januari 1962 had Indonesië op de Aroe-eilanden een flottielje snelle motortorpedoboten. Toen die, met 150 commando's aan boord, voor een infiltratie koers zetten naar Nieuw Guinea, lagen schepen van de Koninklijke Marine in het onmetelijke zeegebied op het juiste moment op de juiste plaats om ze te onderscheppen. Ingeseind door een bevriende inlichtingendienst. (Uitslag: het vlaggeschip Matjan Tutul werd tot zinken gebracht).

Terug naar Dulles. Ik interpreteer zijn uitspraak als steun voor het beleid van Luns, maar dan voortvloeiend uit het Amerikaanse belang een terugvalpositie te behouden voor het geval Indonesië naar links zou omvallen. Dan moest de lijn Taiwan - Filippijnen - Nieuw Guinea - Australië worden gehouden.

Echter, intentions can change overnight, zoals men destijds placht te zeggen en dat was het geval in de nacht na de presidentsverkiezingen van november 1960, toen Kennedy gewonnen bleek te hebben. Die heeft van meet af aan een andere koers gestuurd inzake Nieuw Guinea, gericht op overdracht.

Maar als er, voor het zover was, een linkse staatsgreep in Jakarta had plaatsgevonden, zou hij hebben gehandeld zoals zijn voorganger. Die greep naar de macht is er inderdaad gekomen, drie jaar later, en mislukte. Overigens: de koerswending van Kennedy werd door de Sovjets goed begrepen en zij wierpen direct hun terughoudendheid overboord door Indonesië alle gevraagde wapens te leveren.

Heeft nu Luns de informatie over Nieuw Guinea gemonopoliseerd? Vooropgesteld: het besluit dat gebiedsdeel in 1949 buiten de soevereiniteitsoverdracht te houden is genomen door het kabinet-Drees/Van Schaik, met name door de minister van overzeese gebiedsdelen, J.H. van Maarseveen. Er was toen vastgelegd dat binnen een jaar door onderhandelingen de status van Nieuw Guinea zou worden bepaald. Die onderhandelingen heeft Nederland niet te goeder trouw gevoerd: men wilde Nieuw Guinea behouden en dat was de situatie die Luns aantrof toen hij in september 1952 minster werd.

In de jaren van oplopende spanning (derde kabinet-Drees en interim-kabinet-Beel) lag de verantwoordelijkheid bij de minster van zaken overzee, mr. G.P. Helders. In de confrontatie periode regeerde het kabinet-De Quay (mei 1959 - juli 1963). Er was toen een staatssecretaris belast met zaken van overzee, mr. Th. Bot, bij Binnenlandse Zaken waar mr. E.H. Toxopeus minister was. En natuurlijk was er de directe betrokkenheid van het ministerie van Defensie. In mijn proefschrift heb ik al geschreven dat ik in het archief van marine exemplaren van alle cruciale berichten uit Washington heb aangetroffen, voorzien van aantekeningen van staatssecretaris P.J.S. de Jong.

Nu was het een kleine moeite de vraag of Luns Nieuw Guinea monopoliseerde, voor te leggen aan De Jong, de latere minister-president. Zijn antwoord was duidelijk: “Ik heb nooit het gevoel gehad dat Luns ten opzichte van zijn collega's informatie achterhield”. Het komt mij voor dat het idee van sommige bewindslieden dat hun niet alles bekend was, moet worden toegeschreven aan onvoldoende begrip en inzicht hoe internationale machtsrelaties werken.

Ten slotte: een 'nationaal debat' over Nieuw Guinea? Die vraag is ook opgeworpen over de Indië-kwestie, de jaren '45 tot '49. Misschien is het niet te boud te stellen dat historici en politicologen het erover eens zijn dat de Nederlandse politici in de dekolonisatie fouten hebben gemaakt, maar dat daarvoor verklaringen waren te geven. Of men dat dan als verzachtende omstandigheid wil aanmerken of juist niet, is subjectief. Maar in de Nieuw-Guinea-affaire hebben - soms dezelfde - politici dezelfde fouten begaan, met schadelijke gevolgen voor Nederland èn voor Indonesië. Gelukkig maar dat de chefs van staven tijdig lieten weten dat vechten om Nieuw Guinea geen zin had. Dat maakte de weg vrij voor een politieke oplossing.