Inrichting voor jongens die thuis, op school èn in de misdaad zijn mislukt

In de Amsterdamse rijksinrichting 't Nieuwe Lloyd kunnen minderjarige criminelen een persoonlijkheidsonderzoek ondergaan. Vierde deel van een korte serie over speciale afdelingen in gevangenissen.

AMSTERDAM, 5 MAART. Zon valt door de smalle ramen van de bibliotheek, waar vijf jongens van unit 5 een uur doorbrengen. Niemand leest, alleen de groepsleider heeft een Lucky Luke op schoot. Peter en Frank spelen met Zombie Dino's op de computer. De bibliotheek heeft een ruime sortering Nederlandse, Franse, Spaanse, Turkse en Arabische boeken. De categorie 'waargebeurde misdaadverhalen' is het populairst, zegt de bibliothecaris. Verder wordt er veel gevraagd om boeken over wapens en seks, maar die zijn niet voorradig.

't Nieuwe Lloyd in Amsterdam is van oudsher de 'opvanginrichting' (het woord gevangenis wordt vermeden als het om minderjarigen gaat) voor de zware gevallen. Die zijn er steeds meer: de jeugdcriminaliteit neemt niet sterk toe, maar wordt wel harder. “De laatste jaren zie je veel geweld bij delicten”, zegt adjunct-directeur Dijkman. “Vijftien jaar geleden was het voornamelijk diefstal en inbraak, nu zijn de standaarddelicten overval en beroving.”

De jongens in 't Nieuwe Lloyd zijn gemiddeld een jaar of 16. Pubers, zegt een groepsleider, met hun hoofd bij seks. “Buiten maken sommige jongens de buit op door naar de hoeren te gaan. Twee jongens van zestien zijn al vader. Eén jongen verwachtte dat we hier wel een wipkamer zouden hebben.” Stoere gozers, zegt een sportleraar, die niet voor elkaar onder willen doen. “Als er een groep bij elkaar staat en je gooit er een bal in gebeurt er niets.” Sommigen zijn door de rechter naar 't Lloyd gestuurd om eens goed te schrikken, anderen hebben al een hele misdaadcarrière achter de rug. “Dat zijn jongens die thuis, op school èn in de misdaad zijn mislukt”, zegt directeur Van Maanen.

Zeventig tot tachtig procent van de jongens is allochtoon. Jongens van dezelfde afkomst hebben de neiging elkaar op te zoeken. De leiding probeert in elk team een vertegenwoordiger van elke allochtonengroep te plaatsen, maar houdt bij de groepsindeling (tien jongens op elk van de zes units) geen rekening met afkomst. “Voor iedereen gelden dezelfde regels”, zegt een afdelingshoofd. Eén daarvan is dat aan tafel Nederlands wordt gesproken.

Volgens de Jeugdstrafwet moeten jongens in rijksinrichtingen veel tijd doorbrengen in de groep. Als iemand zich daar misdraagt krijgt hij 'straf' of 'doseer'. In het eerste geval wordt hij naar zijn 'kamer' gestuurd en moet daar enige tijd blijven zitten. In het tweede geval brengt hij een week lang alle 'groepsuren' door in zijn cel, terwijl hij wel meedoet aan het dagprogramma (sport, lucht, onderwijs, bibliotheek). Voor de echte probleemgevallen zijn er 'afzonderingscellen'.

In een uurtje 'vorming' van unit 3 komt het gesprek op straf. “Als je vindt dat je voor niks gestraft wordt, word je er alleen maar agressiever van om op je kamer te zitten”, zegt Mohammed, een Marokkaanse jongen van 17. Hij spreekt uit ervaring want hij heeft op het moment een 'doseer'. Leen, een Antilliaanse jongen tegen de groepsleider: “Het is gewoon een spelletje. Jullie hebben de sleutel, jullie gaan naar huis, wij blijven hier.” Groepsleider Bob: “Nee, zo is het niet. Het gaat ons er niet om te laten zien wie hier de macht heeft.” Mohammed: “Niet iedereen denkt zo, Rob... eh Bob.” Leen: “Zolang jullie de deur open doen en ik mijn krantje kan lezen, tv kan kijken en onderwijs krijg, is het goed. Dan maakt het mij niet uit dat ik wat fout gedaan heb en wat de rechter zegt. Dat kan me echt niets schelen.”

Een speciale afdeling is unit 5, die nu twee jaar bestaat. Hier komen de jongens terecht die op last van de kinderrechter worden onderworpen aan een persoonlijkheidsonderzoek, zoals volwassenen dat krijgen in het Pieter Baancentrum. Soms is de reden voor een onderzoek de ernst van hun vergrijp, soms de onbegrijpelijkheid. In de acht weken dat ze op unit 5 verblijven worden de jongens door de groepsleiders nauwkeurig geobserveerd, moeten ze onder leiding van een 'rapportrice' hun levensverhaal schrijven, brengen ze een bezoek aan een psycholoog en zien ze zo nodig een psychiater. Een maatschappelijk werkster neemt contact op met hun familie en probeert zoveel mogelijk te weten te komen over 'thuis'. Uiteindelijk wordt aan de kinderrechter een advies uitgebracht over wat er met de jongen moet gebeuren.

Unit 5 aan de lunch. Op tafel staan schalen met aardappels, rijst en chili con carne. Borden en bestek zijn van plastic. “Wat je opschept moet je opeten”, zegt Gerda tegen Murat, die vandaag voor het eerst is. “En volgende keer mag je niet meer naast Hakan zitten.” Murat en Hakan kennen elkaar uit een Haagse bende, die een serie berovingen met geweldpleging op zijn naam heeft staan. Murat (Marokkaans) heeft negen berovingen bekend, Hakan (Turks) twaalf. De twee lijken uitstekend met elkaar overweg te kunnen, maar tegenover de politie beschuldigen ze elkaar van het leiderschap van de bende. Het team van unit 5 heeft de opdracht om te kijken hoe ze met elkaar omgaan. Tegelijk moeten ze voorkomen dat Murat en Hakan de harmonie in de groep te veel verstoren met hun onderonsjes.

Hakan schept bonen op. “Niet alleen het het vlees eruit halen”, maant Gerda. “Tante, ik roer”, protesteert Hakan. “Ik noem haar tante”, zegt hij tegen Murat. Tegenover Murat zit Hassan, die wordt verdacht van doodslag. Hij is stil en traag en als laatste aan de beurt bij het opscheppen. Het is nog niet duidelijk wat er met hem aan de hand is. “Het is bijna van de ene op de andere dag fout gegaan met hem”, zegt groepsleider Sylvia. “Hij heeft drie jaar LBO gedaan, het was een heel gewone jongen. Op een gegeven moment ging hij raar doen. Iemand anders heeft hem toen aangezet tot een delict.” Ook op Unit 5 geeft Hassan blijk van meeloopgedrag. Hij moet nog naar het ziekenhuis voor een hersenscan, maar is daar zo bang voor dat pogingen om hem mee te krijgen al twee keer zijn mislukt. Het wachten is nu op een rechterlijk bevel.

Antonio, die volgens de groepsleiders een symbiotische relatie heeft met zijn moeder, is er niet helemaal bij met zijn gedachten. Hij zit vast voor diefstal met geweld en afpersing en heeft vandaag gehoord dat de rechter hem een PIJ (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen) wil geven. Deze nieuwe maatregel wordt opgelegd voor twee jaar en kan tweemaal worden verlengd als daar reden toe is. Vóór de invoering ervan op 1 februari kon een jongere maximaal een half jaar straf krijgen, nu kan het zes jaar duren voor Antonio vrij komt. “Die PIJ moet je zien als een soort muur tussen jou en je moeder, zodat je wat meer afstand kunt nemen”, zo vertelde de rechter hem.

Na het eten gaan twee jongens afwassen, de rest verspreidt zich over de afdeling. Ze moeten nu een half uur in de groep zijn en mogen niet hun kamer in. Vanuit hun kantoortje houden de groepsleiders hen in de gaten. Intussen beklaagt de leiding zich over het personeelsbeleid.

't Nieuwe Lloyd heeft een zeer hoog ziektepercentage: twaalf procent bij een landelijk gemiddelde van vijf à zes procent. Groepsleiders moeten observeren, rapporteren, opvoeden, de orde bewaren, beschikbaar zijn voor gesprekken met de jongen van wie ze mentor zijn, jongens een paar uur per dag bezighouden met bijvoorbeeld houtbewerking of vormingsles, jongens meenemen naar hun advocaat, jongens ophalen bij hun advocaat, zorgen dat er genoeg broodbeleg, melk, pennen voorradig zijn, de vuilniscontainer naar beneden brengen, enzovoort. Dat is al veel voor drie groepsleiders per tien jongens, maar door het vele ziekteverzuim zijn zij vaak met nog minder.

Af en toe loopt Gerda naar buiten. “Hee, geen samenscholingen!”, roept ze naar Marlon en Ruben die de huiskamer uitgegaan zijn en op de gang staan te roken, wat niet mag. Ruben weet veel van winti en is een bondgenootschap aangegaan met Marlon, die katholiek is opgevoed en alles over winti wil weten. De groepsleiders vinden dat de twee een slechte invloed hebben op elkaar. Gerda beent erheen. “Op de groep!”, commandeert ze. Dralend en sputterend komen de twee weer naar binnen.

Het perspectief van de Lloyd-jongens is somber. Zeventig procent van hen keert terug in een strafinrichting. Het cijfer is een schatting, want hoeveel jongens terechtkomen in gevangenissen voor volwassenen wordt niet bijgehouden. Zitten hier de criminelen van de toekomst? “Ik mag het misschien niet zeggen”, zegt een afdelingshoofd, “maar ik denk het wel.”

Om reden van privacy zijn de namen van de jongens gefingeerd.