Het vergeten kind radio

HILVERSUM. Ik reed met mijn vriend Rudi Boon mee naar zijn werk, op een mistige ochtend om kwart over zeven. Rudi, die ik altijd bezig had gezien met essays over het internationale veiligheidsbeleid en beschouwingen over de Noord-Zuid dialoog, Rudi zette nu zijn autotelefoon aan, klikte het radiofrontje in, begon wat dingen te regelen en schoof ondertussen zijn Citroën in de file, richting Hilversum. “Moderne tijden, jongen,” mompelde hij.

Even later zat hij de ochtendvergadering van een redactie voor. “Eerst maar even Fokker. Er is een hoop gaande vandaag.” “Er ligt nog een reportage over gezinshereniging in Oost-Slavonië, die kan er vanmiddag zo uit.” “De kranten hebben allemaal die claim op Philips.” “Maar die hebben we al uit den treure gehad.” Zo passeerde onderwerp na onderwerp de revue, daar bij het Radio 1 Journaal. Alles verliep even normaal, routineus en soms bijna te glad, en het zou allemaal verder geen regel waard zijn geweest als de samenstelling van het gezelschap rond die redactietafel niet zo bijzonder was.

Begin vorig jaar was het nog ondenkbaar dat journalisten uit het kasteel van de TROS, uit de citadel van de VARA, uit de versterkingen van VPRO en EO, uit de forten van KRO en NCRV en uit de bolwerken van Veronica en NPS samen een programma zouden maken, tenzij bij koninklijke begrafenissen, rampen of Elfstedentochten. Nu is een nieuwsstaf van negentig journalisten en dertig correspondenten zes uur per dag verenigd onder één taradaboemdiee-lawaaitune, en van al het gesteggel over identiteit blijkt anno 1996 vrijwel niets meer over te zijn. “Als de Derde Wereldoorlog uitbreekt roep ik de jongens van de EO op,” zegt Rudi Boon, ooit van de VPRO. “Maar verder is het hier net het nieuwe Zuid-Afrika: het is eigenlijk al niet meer bon ton om te praten over waar je vandaan komt.” Het Radio-1 Journaal begon als een revolutie van de vakbroeders tegen de bestuurders. “Toen God de wereld schiep en ook de dagen, had hij voor elk van de vijf dagen al een omroep in zijn hoofd,” schreef VPRO-hoofdredacteur Jan Haasbroek in zijn net gepubliceerde afscheidsboek. “De woensdag was voor de NCRV met Jeugdland, de donderdag voor de KRO en De Zonnenbloem, de vrijdag voor de VPRO, de zaterdag voor de VARA en de Artistieke Staalkaart en de zondag voor de AVRO met Even Afrekenen, heren!” Deze grondhouding domineerde omroepland nog tot in de jaren negentig. Terwijl de rest van Nederland twintig jaar eerder de verzuiling al ruimschoots van zich had afgeschud, bleven de Hilversumse kantines eigenzinnige en royaal voorziene enclaves, met gereformeerde broodjes, roomse soep en vrijzinnig protestantse toetjes. Maar toen de publieke omroep als geheel verdedigd moesten worden bleken de oude omroeporganisaties nauwelijks meer een antwoord te hebben, laat staan een eigen boodschap.

Ook de radio dreigde daarvan de dupe te worden, vooral toen Veronica aankondigde met een eigen nieuwszender te komen. “Wat ons samenbond was de liefde voor het vak en de overtuiging van de echte radiomakers dat het zo niet langer kon,” zei Piet van Tellingen, ooit van de NCRV, nu hoofdredacteur van het Radio 1 Journaal. Mede dankzij een kleine lobby van programmamakers werd vorig jaar mei onverwacht de knoop doorgehakt. Vier omroepen waren voor het opzetten van één gezamenlijke actualiteitenrubriek, vijf tegen, maar de stemmen van de kroonleden gaven de doorslag. Piet van Tellingen: “Op 19 juni begon ik in m'n eentje, en op 1 september draaide het allemaal, honderddertig mensen, computersystemen, studio's alles. Terwijl we hier de redaktie opbouwden waren de laatste tegenstanders nog aan het procederen.” Rudi Boon: “Op de Haagse redactie werden de scheidingswanden tussen de diverse omroepen letterlijk neergehaald, de schotten liggen nu nog ergens in een zijkamertje.” Zo ontstond vanaf het ene moment op het andere een wonderbaarlijke mengeling van de oude zuilen, zonder grote conflicten, zonder eilandvorming, zonder kliekjes en lobbies. De tijd was blijkbaar meer dan rijp. Presentatrice Harmke Pijpers, die een paar maanden eerder in de VPRO-kantine nog veel succes oogstte met haar imitaties van NCRV's Govert van Brakel en Piet van Tellingen, was nu niet meer bij beide heren weg te slaan. Roelof Vellenga van de EO bleef pal staan voor de zondagsrust, en als er gevloekt wordt zegt hij er ook wat van, maar verder prijst hij de openheid. “Principieel ben ik voor eigen media met een eigen identiteit, maar praktisch heeft deze constructie enorme voordelen. Je kunt nu een bepaalde kwestie met dezelfde mensen van dag tot dag blijven volgen, veel beter dan vroeger met al die verschillende radio-rubrieken ooit mogelijk was.” Rob Trip van Veronica zag na de eerste euforie met het compromis ook het braafheidsgehalte toenemen. “Je wilt het aardig houden, en daarom doe je ook sommige leuke dingen niet meer om je collega's niet tegen de schenen te schoppen. We zijn verlost van een heleboel onzin op de zender, maar daarmee zijn ook een stel krenten in de pap verdwenen.” Is dit kleine wonder van Hollandse compromisgezindheid het begin van de redding van de publieke radio? Of hebben, zoals Jan Haasbroek schrijft, de lawaaiige krachten het nu al gewonnen van de subtiele, en de schillen van de klokhuizen?

Ik hoop het eerste - het Radio 1 Journaal heeft een luisterdichtheid van 9 procent, het pas gestarte Veronica komt op dit moment nog niet boven de 0,3 procent - maar op langere termijn vrees ik toch het laatste. Niet omdat het niet anders kan, maar omdat het niemand - buiten de direct betrokkenen - ook maar een klap interesseert. Hoewel televisie en radio in sfeer, kosten en belangen van elkaar verschillen als dag en nacht blijft het debat over de toekomst van de publieke radio - als dat al plaatsvindt - op onverklaarbare wijze vastgeklonken aan de tv-discussie. Iedereen spreekt over het beeld, en het geluid bungelt er nog maar zo'n beetje bij. Het mag geen eigen rol spelen, en als dat nog even zo duurt zullen alleen al daarom de schillen gegarandeerd aan het langste eind trekken.

Radio is en blijft het mooiste medium dat er is: snel, flexibel, direct, menselijk, zonder kapsones, massaal en intiem tegelijk, en nog met alle ruimte voor verbeelding en fantasie. Maar tegelijk is het een vergeten kind.