Dirk en ik

Ik hou het erop dat de ergste vorst voorbij is en heb de kranen uit hun winterslaap gehaald. De keukenkraan is nooit een probleem, de kraan in de schuur daarentegen is elke keer wél een probleem: omdat ik hem niet zie. Ik moet alles op de tast doen, de kranen zitten diep in een vierkant gat en ondersteboven. Er lopen nogal wat buizen en ik kan er niet goed bij. Aftapkraan is een wieltje, toevoerkraan gaat rechtsom open, op de kop linksom. Of zo.

Elektriciteit hetzelfde verhaal. Pruts ik aan een stopcontact, dan heb ik voor de zekerheid alle schakelaars omgezet. Ik werk met een zaklantaarn, ik weet wat ik doe, maar niet precies.

“Je weet dus niet wat je groepen zijn”, zei mijn buurman van verderop.

“Nee”, bekende ik.

“Nou, dat vind ik knap stom.”

Dat begreep ik. Hij is concierge van een grote school met misschien wel duizend schakelaars en honderd groepen. Die heeft hij allemaal in zijn hoofd. Als hij een nieuwe hoogrendementsketel krijgt aangeleverd, gaat het ding eerst helemaal uit elkaar, 'tot de laatste schroef', om vervolgens weer door hem in elkaar gezet te worden. “Ik wil weten wat ik in huis heb.”

“Dat je dat allemaal onthoudt”, is mijn bewonderende commentaar.

“Dirk”, zegt zijn vrouw, “heeft een geheugen als een pot.”

Hetgeen Dirk bevestigt door te zwijgen.

Maar nou pak ik hém. “In de hal van die school van je”, zeg ik, “als je de trappen opgaat linksom, hangt daar een groot schilderij” (Dat weet ik, want het is geschilderd door mijn broer en het hangt er al vijf jaar). “Kun je”, vraag ik Dirk zoetsappig, “dit schilderij een beetje voor de geest halen, weet je wat het voorstelt?”

“Een schilderij”, vraagt Dirk, “hangt daar een schilderij? Nooit gezien. Een havengezicht?” (Dat was daarvoor. Het dorpsgezicht dat in de plaats is gekomen, vijf jaar geleden, heeft hij nog nooit gezien.)

Zie - wil ik hiermee maar zeggen - hoe verschillend de mensen zijn. De een loopt met groepen in zijn hoofd, de ander met dorpsgezichten, een derde met 06-nummers. Dat ze elkaar nog als mens herkennen ligt aan de taal, de koetjes en kalfjes waaruit het dagelijkse leven bestaat. Maar als het erop aankomt, hebben ze elkaar niets te vertellen.

Geen twee geheugens passen op elkaar. En elk geheugen heeft zijn eigenaardigheden. Zo herkent mijn opticien mij meestal aan mijn bril. Ik daarentegen heb typisch een geheugen voor gezichten, ik 'kan ze uittekenen'. Maar dan moet ik ze wel een paar keer gezien hebben. Mensen die ik maar één keer heb gezien vergeet ik. Eén keer is geen keer, bij mij. Ik kan iemands gezicht totaal vergeten zelfs als ik een hele avond met hem/haar heb gepraat. Is me overkomen. Heel vervelend. Komt ook denk ik omdat ik, op straat lopend, gewend ben de mensen die ik tegemoetkom aan te kijken. Omdat ik dat interessant vind. (Mensen op terrasjes doen dat ook.) Maar al die gezichten onthouden doe ik pas na een tweede ontmoeting. En dan vergeet ik ze ook nooit meer.

Als ik zit te schrijven aan een stukje als dit, zit ik vaak naar buiten te kijken. Ik kijk naar bomen en struiken en dan zie ik, vooral als ik in gedachten ben, daar automatisch allerlei gezichten in. Tientallen gezichten. Ik kan, als een ware Arcimboldo, overal een gezicht van maken. En het bijzondere van deze gezichten is dat ze, door hun wanstaltigheid, nog heel expressief zijn ook. Ze hebben karakter en ik geniet ervan.

Ik heb nog een sterker verhaal. 's Avonds, tegen de tijd dat ik in slaap val, en de omstandigheden werken mee, dan trekken, als in een rij, allerlei gezichten voorbij. Scherp als een foto en vloeibaar als water. Het ene na het andere. Je zou ze willen onthouden, of tekenen, maar de 'belichtingstijd' is niet veel langer dan een seconde. Heel boeiende koppen, oneindig veel interessanter bijvoorbeeld dan de koppen van James Ensor. Ik geniet ervan, maar het duurt meestal niet langer dan vijf minuten, dan ben ik in slaap gevallen.

Met Dirk hoef ik hierover niet te praten. Maar met m'n vrouw ook niet. Met niemand vrees ik.