Borst: prenataal onderzoek wordt zorgvuldig uitgevoerd

DEN HAAG, 5 MAART. Prenataal onderzoek wordt in Nederland niet lichtvaardig uitgevoerd. En is de uitslag van het onderzoek aanleiding om een zwangerschap af te breken, dan wordt dat besluit weloverwogen en zorgvuldig genomen.

Tot die conclusie komt minister Borst (Volksgezondheid) in een brief over prenatale diagnostiek die ze gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Aanleiding voor de brief was een tv-uitzending van 2 Vandaag in het najaar van 1995 over de abortussen van twee foetussen met een erfelijke oogziekte in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Het Tweede Kamerlid Soutendijk (CDA) bevestigde toen de suggestie van de journalist van de Evangelische Omroep dat abortus om blindheid of slechtziendheid te voorkomen wel erg naar eugenetica neigt en keurde abortus op foetussen met een oogziekte af.

“Het is zo gemakkelijk om te roepen: ach, met blindheid kun je toch leven”, zegt D66-minister Borst vandaag in een vraaggesprek met de Volkskrant. “Ik vind dat ouders het recht hebben om te zeggen dat ze die handicap te ernstig vinden. Ze weten vaak uit ervaring in hun eigen familie hoeveel ellende zo'n aandoening met zich meebrengt.”

Steeds meer erfelijk bepaalde aandoeningen kunnen door prenataal onderzoek worden opgespoord. In haar brief deelt Borst niet de vrees van degenen die menen dat abortus automatisch de volgende stap zal zijn. Ze verwacht niet dat de morele grenzen worden opgerekt naarmate de diagnostische mogelijkheden toenemen.

Als er steeds meer erfelijke ziekten kunnen worden opgespoord, neemt de kans toe dat verzekeraars bijvoorbeeld bij het afsluiten van een levensverzekering een medische verklaring gaan eisen. “We moeten niet gaan keuren op erfelijke aandoeningen”, meent Borst. Maar de minister vindt wel dat een verzekeraar aan mensen die een levensverzekering afsluiten van 300.000 gulden mag vragen of ze genetisch onderzoek hebben laten doen en waarom. “Verzekeraars moeten ook hun business uitvoeren. Maar iemand die niet wil weten of hij of zij een genetisch bepaalde ziekte heeft, moet onwetend kunnen blijven. De verzekeraar mag geen onderzoek opdringen.”

Uit de brief blijkt verder dat meer dan veertig procent van de zwangere vrouwen van 36 jaar en ouder afziet van een test waaruit zou kunnen blijken dat er een baby met het Down-syndroom op komst is. Vrouwen in die leeftijdscategorie hebben een verhoogd risico om een 'mongooltje' te krijgen en daarom wordt hun de mogelijkheid van een prenataal onderzoek geboden. Van de 10.900 vrouwen maakten er in 1990, volgens jaarverslag van de Landelijke werkgroep prenatale diagnostiek, 6.126 gebruik van het aanbod. In totaal werden er 8.903 prenatale onderzoekingen naar erfelijk bepaalde aandoeningen gedaan. Bij 336 zwangerschappen werd een afwijking geconstateerd; in 243 gevallen volgde een abortus.

Volgens meer recent cijfer worden er in Nederland ongeveer 18.000 abortussen gepleegd en zijn er 400 het gevolg van erfelijkheidsonderzoek. In 80 procent van de gevallen betreft het chromosoomafwijkingen (meestal het syndroom van Down) bij zwangeren ouder dan 36 jaar. Van de ruim 3.000 verzoeken om erfelijkheidsadvies betroffen er in 1994 acht een oogheelkundige aandoening.

Borst voelt er op dit moment niets voor om vast te leggen voor welke aandoeningen prenataal onderzoek wel is toegestaan en voor welke niet. Borst: “Als er signalen komen dat zwangerschappen worden afgebroken omdat het kind niet perfect is terwijl er geen sprake is van ernstige gezondheidsproblemen dan moeten we toch een zwarte lijst gaan maken. Maar dat zal hartstikke moeilijk zijn.”