Alleen achter de Yacca

Abbing & Van Cleeff: Struisvogelkoorts. Uitg. Leopold, 165 blz. Prijs ƒ29,90. Twaalf jaar en ouder.

Aan kinderen die een Yacca hebben, heb je niets meer. Ze willen alleen nog maar met hun Yacca spelen, en dat is een heel solitair spelletje. Ze hebben het ding in hun hand en mompelen af en toe op welk niveau ze al zijn, verder willen ze niets meer, zeggen niets meer, interesseren zich nergens meer voor. Even lijkt het of een Yacca een soort spelcomputer is, maar al snel blijkt dat er iets anders aan de hand is. Iets ernstigers.

In Struisvogelkoorts beschrijven twee vrouwen die zich detective-achtig uitsluitend bij hun achternamen noemen: Abbing & Van Cleeff, hoe twee kinderen een angstaanjagend geheim ontraadselen. De twee, het meisje Feya en de jongen Sem, houden ieder een dagboek bij en afwisselend krijgen we de aantekeningen van de een en die van de ander te lezen. De stijl van Feya is wat zwieriger dan die van de kortaffe Sem, Feya heeft ook meer oog voor detail, voor gemoedstoestanden en laat liever eens een bijvoeglijk naamwoordje de toon zetten dan Sem, die aanzienlijk kortere, afgebetener zinnen maakt. Jongensachtiger, zou je bijna zeggen. Beiden zijn doortastend en slim en vastbesloten om er achter te komen wat de geheimzinnige kinderverdwijningen, de neuriënde engerd die zich soms bij het schoolhek vertoont, de verandering die Sems broer heeft ondergaan en de verslavende Yacca's met elkaar te maken hebben.

Natuurlijk komen ze daar achter, maar stapje voor stapje. En wat ze ontrafelen is van een angstaanjagendheid waar James Bond een puntje aan kan zuigen. Een kinder-James Bond dan, want er vallen geen doden - al scheelt dat op het laatst niet veel. Struisvogelkoorts schreeuwt eigenlijk om verfilming. Alles zou het even goed doen voor de camera: de griezelige farmaceutische fabriek waar de Yacca's gemaakt worden met de misdadige directeur en willoze helpers, de opgesloten struisvogels, de tot zombies gemaakte kinderen en vooral de Yacca's zelf, waarvan niemand eigenlijk weet wat het voor dingen zijn. “En weet je, eerst voelt hij heel vreemd aan, zoals een nieuwe schoen die niet past. Maar toen ik hem een tijdje vast had, leek het net of hij van vorm veranderde, alsof hij mij ging passen. Het was heerlijk.” Vooral dat laatste is een belangrijk zinnetje. Het was heerlijk.

Abbing & Van Cleeff hebben een heel spannend boek geschreven, maar ze hebben ook nog wel iets meer willen doen dan dat. Want Struisvogelkoorts gaat ook onomwonden over verslaving. De kinderen die een Yacca hebben - het is niet makkelijk eraan te komen, je kunt ze alleen winnen bij de jodium - zijn altijd verkocht. Maar sommige kinderen willen er geen, zoals Feya bij voorbeeld, die verschillende keren in de gelegenheid is er eentje te bemachtigen. Ook als ze erg in nood zit en zeker weet dat een Yacca haar zal troosten, wil ze er toch geen. “Als dat iets voor mij was, had ik het al veel eerder gedaan” denkt ze. Sem is wel in de verleiding, hij denkt dat hij het aan zou kunnen “Ik zou er tenminste normaal mee doen!” Maar het is zo duidelijk als wat dat 'normaal doen' met een Yacca niet gaat.

Yacca's zijn als heroïne, alles eraan is weerzinwekkend voor wie niet verslaafd is, in dit geval zelfs letterlijk: een volwassene die er eentje aanpakt laat hem met een van weerzin vertrokken gezicht weer uit zijn handen vallen. Maar voor degenen die die wereld zijn binnen gegaan zijn er allerlei zaligheden te beleven.

Struisvogelkoorts moraliseert nergens, maar is wel van een duidelijke moraal doortrokken. De opbouw van het probleem is meeslepend, en al is de ontknoping ietsje minder - dat zijn ontknopingen eigenlijk altijd, want al die elementen die eerst de spanning zo verhoogden moeten dan allemaal verklaard worden en dat is nu eenmaal minder opwindend - het is toch echt een ouderwets moeilijk weglegbaar boek.

De scheiding tussen de wereld van de kinderen en de volwassenen is niet zo geslaagd, dit is weer eens zo'n kinderboek dat wemelt van de oliedomme volwassenen die niets, niets en niets in de gaten hebben. Verstrooide vaders en moeders, politieagenten die alleen maar dom bonbons kunnen eten, en de enigen die een beetje nadenken en hun hersens gebruiken zijn de twee kinderen, - die dan ook van niemand hulp hebben te verwachten. Behalve van de slimme directrice van hun school maar die nemen ze, om raadselige redenen, niet in vertrouwen, ook niet als die erom vraagt op een moment waarop de moeilijkheden toch groot zijn. Natuurlijk is het voor het verhaal spannender om alles aan de kinderen zelf over te laten, maar 'boekintern' om zo te zeggen, is zo'n opeenstapeling van onmachtige volwassenen niet zo sterk. Alleen de ouders van Feya zijn op een waarschijnlijke manier nietsvermoedend.

Abbing & Van Cleeff zijn sterk gedebuteerd, met deze kinderthriller. De flaptekst zegt dat ze zelf het schrijven van dit boek leukste vinden wat ze ooit gedaan hebben. Doorschrijven dus.