Verzetsmuseum niet te redden met emoties

De oorlog woedt niet meer, althans niet hier. Hij woedt ver weg, nu in Tadzjikistan, de zoveelste na de Tweede Wereldoorlog. Die rest in de herinnering, verbeeld in musea, verwoord in verhalen. Een museum waar één aspect van de Tweede Wereldoorlog wordt verbeeld is het Verzetsmuseum in Amsterdam. De vaste tentoonstelling laat een scala aan voorwerpen zien die betrekking hebben op het verzet. Een typemachine bijvoorbeeld waarop het beroemde pamflet werd getikt waarin werd opgeroepen tot de Februaristaking in 1941. Een pers waarop het illegale blad De Vonk werd gedrukt, de zender van illegaal werker Daan Goulooze staat er. In een vitrine liggen briefjes uit gevangenissen.

Het zelfstandig voortbestaan van het museum staat op het spel nu de Amsterdamse Kunstraad het college van B en W heeft geadviseeerd het museum niet te verblijden met een eenmalige bijdrage van 2,4 miljoen gulden. Dat geld is nodig om te kunnen verhuizen naar het Planciusgebouw tegenover Artis. Het museum is nu gehuisvest in een voormalige synagoge. Het huurcontract loopt op 31 mei af. De argumenten waarop de Kunstraad haar negatieve advies stoelt, laten aan duidelijkheid niets te wensen over: de professionaliteit schiet te kort, de collectie is beperkt, evenals het onderwerp.

Toen het museum in 1985 zijn deuren opende was vooral het emotionele draagvlak groot. Hoewel - er waren ook mensen die vonden dat van de zijde van de voormalige CPN wel erg getamboereerd werd op 'hun' verzetsverleden. Er waren ook mensen die zich afvroegen waarom er een apart verzetsmuseum moest komen. Geen vreemde vraag als je je bedenkt dat vijf procent van de bevolking daadwerkelijk de rug heeft recht gehouden tegenover de Duitse bezetter. Op de locatie, Amsterdam, viel ook wel wat af te dingen: was deze stad zo'n brandhaard van verzet? Zo heldhaftig, vastberaden en barmhartig?

In de tien jaar van zijn bestaan trok het Verzetsmuseum jaarlijks twintigduizend bezoekers. Volgens de directie is de kans groot dat dat aantal wordt verdubbeld wanneer het museum naar het Planciusgebouw verhuist, tegenover Artis waar jaarlijks 1,2 miljoen mensen zich vergapen aan dierlijk schoon. Het valt te betwijfelen of velen van hen na het bezoek aan de dierentuin een kaartje kopen voor het Verzetsmuseum. Musea die vlakbij Artis gesitueerd zijn trekken nauwelijks profijt van de 1,2 miljoen dierenliefhebbers: het Vakbondsmuseum bijvoorbeeld trekt jaarlijks 15.000 bezoekers, de Hollandsche Schouwburg 22.000, het Joods Historisch Museum honderdduizend. Terecht schrijft de Kunstraad: “Het is de aantrekkelijk gepresenteerde inhoud van een museum die primair publiek trekt en niet de locatie.”

De emotionele betrokkenheid van de tientallen vrijwilligers en de kleine staf die het museum draaiende houden, staat buiten kijf. Maar gedrevenheid alleen is niet voldoende. Vakmanschap en ondernemerschap zijn onontbeerlijke ingrediënten voor het goed laten lopen van welke instelling dan ook. “Op het emotionele draagvlak van een ouder wordende generatie kan niet oneindig worden voortgebouwd”, aldus de Kunstraad. En dat is waar. Bestuur en directie zouden er goed aan doen dit onder de ogen te zien en zich af te vragen of de collectie niet elders moet worden ondergebracht, bijvoorbeeld in het Amsterdams Historisch Museum. Wanneer van die kant wordt gezegd: dan moeten wij meer ruimte krijgen, ligt er vast 2,4 miljoen gulden klaar.