Meewerken aan Betuwelijn of daartoe gedwongen worden; Lagere overheden voor dilemma

De procedure rond de Betuwelijn gaat vandaag een nieuwe fase in: het Ontwerp-Tracébesluit is ter inzage gelegd. Lagere overheden moeten nu beslissen of ze gaan meewerken of dwarsliggen.

ROTTERDAM, 4 MAART. Eigenlijk had het ruim anderhalf jaar geleden al zover moeten zijn. Volgens de planning van de toenmalige minister Maij-Weggen had de hele procedure vóór de formatie afgerond moeten zijn. Maar niet alleen duurde de parlementaire behandeling langer dan voorzien, ook uitwerking op het detailniveau van het Ontwerp-Tracébesluit bleek tijdrovend. Uiteindelijk werd in de zomer van 1994 een soort half-voltooid Ontwerp-Tracébesluit (OTB) gepubliceerd onder de naam 'Voorontwerp-Tracébesluit', een document waarin de Tracéwet in het geheel niet voorziet. Geplaagd door onzekerheid hoopte het departement op die manier alvast reacties van burgers en overheden te verzamelen en te verwerken in het OTB. Fouten en onduidelijkheden zouden op die manier zoveel mogelijk kunnen worden vermeden.

Tervisielegging van het OTB is een cruciale fase in de ruimtelijke-ordeningsprocedure volgens de Tracéwet, een wet die onder het vorige kabinet is ingevoerd om infrastructuur sneller te kunnen aanleggen. De Betuwelijn is het eerste grote project dat volgens deze procedure wordt behandeld.

In het OTB wordt het tracé uitgewerkt op een meter nauwkeurig, inclusief bijbehorende infrastructuur als viaducten, fietstunnels, duikers en geluidswallen. Ook is aangegeven welke gebouwen moeten worden gesloopt. Op het besluit is inspraak mogelijk. Burgers hebben daarvoor de tijd tot 29 april, overheden tot 24 mei. Daarna stellen de ministers van Verkeer en Waterstaat en VROM het definitieve Tracébesluit vast. Op basis van dat besluit kan grond worden onteigend en kan de aanbesteding van de bouw beginnen. Tegelijk met het OTB liggen ook nog enkele andere documenten over de goederenspoorlijn ter inzage.

Inspraak op het OTB zal naar verwachting niet leiden tot ingrijpende wijzigingen. Procedureel is echter zeker zo belangrijk dat de betrokken gemeenten en provincies vandaag de vraag krijgen voorgelegd of ze willen meewerken aan de verdere planologische inpassing van de spoorlijn. Op die vraag moeten ze eveneens uiterlijk op 24 mei antwoorden. Als ze ja zeggen, verplichten ze zich hun bestemmingsplannen, respectievelijk streekplannen aan te passen. Als ze nee zeggen, krijgen ze een aanwijzing van de minister van VROM dat ze hun bestemmingsplannen móeten aanpassen. Een dilemma als van een burgemeester in oorlogstijd.

Voor de betrokken gemeenten en provincies kan dat een lastige keuze zijn, om meer dan één reden. In de eerste plaats heeft menige overheid, net als vele burgers, een beroepszaak lopen bij de Raad van State tegen de Planologische Kernbeslissing (PKB), waarin het principebesluit tot aanleg staat en het tracé in grote lijnen wordt beschreven. Naar het zich laat aanzien worden veel van die zaken pas behandeld nadat de termijn is verstreken voor beantwoording van de vraag over planologische medewerking. Stel dat een gemeente zou beslissen wel mee te werken, hoe geloofwaardig is dan nog een beroepszaak tegen het principebesluit?

Het is om deze reden dat het gebundeld bestuurlijk overleg van de provincie Gelderland en de Gelderse gemeenten langs het tracé de Raad van State had verzocht de minister te verbieden het OTB nu te verzenden. De provincie en de gemeenten willen uitstel, niet alleen totdat hun beroepszaak is behandeld, maar ook totdat nog lopende onderhandelingen over inpassingen en schadevergoedingen zijn afgerond en bezegeld. Vanmorgen heeft de Raad van State het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Immers, ook tegen het Tracébesluit en tegen een eventuele aanwijzing van de minister is nog beroep mogelijk.