'Ik ben hier omdat ik verschrikkelijke pijn heb'

JERUZALEM, 4 MAART. “Ik stond zondagochtend om vijf uur op om fakkels aan te steken ter herinnering aan de doden uit onze buurt van de aanslag in Jeruzalem van vorige week zondag. Ik ging daarna naar huis om wat verder te slapen. Toen ik drie uur later wakker werd, hoorde ik het nieuws over de nieuwe aanslag, over weer zes doden uit onze buurt. Ik stond op en weer ontstak ik hier, op deze gedenkplaats, de kaarsen voor de doden.”

De man staat op een uit grote rotsblokken opgebouwd heuveltje en kijkt neer op de vallei waar in de donkere nacht de lichtjes schitteren van de Jeruzalemse Katamonen-wijk, die tweemaal achter elkaar door de Hamas-terreur zwaar is getroffen. Jongeren van de Kedma-school zijn hier met wat ouderen bijeengekomen om de doden te herdenken. “We hebben zo'n verschrikkelijke pijn. We worden de lucht ingeblazen, we vliegen in brand. De terroristen van Hamas willen dat we 'dood aan de Arabieren' gillen, dat we gek worden, dat we onze menselijke waardigheid opzij zetten. Maar dat zal niet gebeuren. We zullen ons als mensen blijven gedragen. Daarin schuilt de kracht waaruit we de overwinning op de terreur moeten putten. We mogen niet toegeven!”, klinkt het door de luidsprekers op dit drukke punt, langs de weg naar Bethlehem.

Niet iedere spreker denkt er zo over. “Dood aan de Arabieren!” roept iemand die de microfoon uit handen van de vorige spreker heeft gegrist. Een paar mannen ontfutselen hem razendsnel de microfoon weer. “Deze herdenking is in handen van de Arbeidspartij”, zegt een vrouw minachtend. “Die willen dat niet horen.”

De woede van enkelen wordt zo groot dat de organisator voor de druk zwicht en een van hen het woord geeft. “We worden door de Arabieren als kippen geslacht. We moeten hetzelfde doen: ze afmaken.” Een man naast me zegt: “Zet dat niet in de krant.” De organisator neemt de touwtjes weer in handen. “Als we schreeuwen, laten we Hamas winnen. Ze willen ons tot beesten maken, maar dat lukt ze niet.”

Op de plaats waar de Egged-bus van lijn 18 de lucht inging zitten meisjes in de koude avond rondom brandende kaarsen. Ze wiegen op het ritme van religieuze liederen. Wat verderop in de Jaffo-straat wordt gedemonstreerd tegen de regering van premier Shimon Peres. Op de hoeken van de straten staan sterke eenheden van de politie en de grenspolitie om de voor het merendeel religieuze demonstranten in toom te houden. Vanaf een balkon wordt de demonstratie rechtstreeks door de Israelische tv uitgezonden. De verslaggeefster van de staats-tv heeft het over “het gespuis”. De woede van de demonstranten richt zich op haar. “Ik ben geen gespuis”, schreeuwt een man. “Ik ben hier omdat ik zo'n verschrikkelijke pijn heb.” “Dood aan de Arabieren” klinkt het weer.

“Vanaf het moment van de ontploffing in de bus ben ik hier”, zegt een wat oudere vrouw. “Ik kan gewoon niet weggaan. Vorige week zondag ontplofte de bus voor mijn woning, nu voor de plaats waar ik werk.” Haar ogen schieten vuur: “We moeten alle Palestijnen het land uitgooien. Er is geen andere oplossing. Zo gaat het niet langer. En als ze niet willen, schieten we ze in hun huizen dood.”

De politie had gisteren in Jeruzalem de grootste moeite om Israelische heethoofden ervan te weerhouden op te marcheren naar het oostelijke stadsdeel, waar de Palestijnen wonen. Enkele Palestijnse auto's werden toch met stenen bekogeld en een Palestijn werd in de buurt van de muur om de oude stad afgeranseld. De twee zelfmoordaanslagen in de Egged-bus op lijn 18, met precies een week verschil op vrijwel dezelfde tijd, hebben een scheidslijn van haat en achterdocht in Jeruzalem getrokken. De Israelische radio en tv herhaalden gistermorgen verscheidene malen dat de verslaggeving over de aanslag geen herhaling was van die van vorige week. “Het is nú gebeurd”, werd er voor alle duidelijkheid bijgezegd omdat veel mensen dachten dat de beelden en geluiden pasten in herdenkingsprogramma's over de aanslag een week eerder.