Dans met elegantie, kracht en souplesse

Gezelschap: Introdans. Nieuw werk: Parcours. Choreografie, toneelbeeld: Ted Brandsen; muziek: Gavin Bryar; kostuums: François-Noël Cherpin; licht: Dominique Drillot. Tevens: Requiem van Ton Wiggers en De onzichtbare steden van Gian Franco Paoluzi. Gezien: 1/3 Schouwburg Arnhem. Verder: Tournee t/m 21/6.

Als Introdans een eetgelegenheid was, dan zou het als restaurant agréable en table excellente met bestek en bloem vermeld staan in de Michelin gids. Ook de laatste produktie van het gezelschap in dit seizoen is gemaakt volgens het beproefde, succesvolle recept. Je neemt drie contrasterende werken, vakkundig gemaakt met klassieke en moderne bewegingsingrediënten, en combineert die tot een gevarieerde en smaakvolle voorstelling.

In zo'n samengesteld programma kan de spanningsboog een onvoorspelbare weg afleggen. Deze keer schiet hij vanuit het dramatisch expressionisme van Ton Wiggers Requiem (1995) (tijdens de tournee soms vervangen door een ander ballet), zweeft vervolgens zinderend door het spirituele en vindingrijke dansstuk De onzichtbare steden uit 1993 van Gian Franco Paoluzi om uiteindelijk met kracht zijn doel te bereiken in het nieuwe werk van Ted Brandsen.

Ted Brandsen maakt met Parcours zijn entree als gastchoreograaf bij het Arnhemse gezelschap. Hij liet zich inspireren door het String Quartet No. 2 dat de bekende, hedendaagse Britse componist Gavin Bryars in 1990 schreef voor het Balanescu Quartet. In Parcours volgt de choreograaf het idee van de componist. Die wilde dat in zijn stuk zowel de persoonlijkheid van elke musicus als van zijn instrument doorklonk, dat solo's werden afgewogen tegen het samenspel, dat het contrast tussen hetero- en homogene bestanddelen tot uitdrukking zou komen.

Voor Brandsen (36), een oud-danser van Het Nationale Ballet, is dit een kolfje naar zijn hand. Hij is een intelligente choreograaf die weet hoe hij in een abstract muziekballet als Bach Moves, dat hij vorig jaar voor Het Nationale Ballet maakte, en Parcours, groepen dansers moet gebruiken. In het spel van ruimtelijke formaties geeft hij de individuele danser een eigen 'gezicht'. In Parcours begint Brandsen met een groep van zeven, richt dan de focus op de enkeling en gaat vervolgens aan de slag met duetten, trio's en andere combinaties. De structuur blijft helder, de patronen zijn nooit geforceerd, met als resultaat een geoliede choreografie.

De aardse, soms strenge bewegingstaal van Brandsen siert de technisch goed getrainde mensen van Introdans. Voor hen kruidde hij het klassieke idioom met de vrijheid van de moderne dans, met als finishing touch een toefje Graham-stijl. Het mengsel eist kracht bij de pulserende passen. De kronkelende schroefbewegingen van de tors verlangen souplesse, terwijl het golvend heffen van de armen weer om elegantie vraagt. Alle dansers krijgen afzonderlijk de kans hun beste kwaliteit te tonen. Voor mij springen de solo's van Robin van Zutphen en Mike van Loon eruit, die ook een geladen duet danst met Shirley Rabenberg. De pas-de-deux suggereert vooralsnog meer dramatiek dan er op de eerste avond te zien was, maar de emotionele invulling zal er op den duur zeker komen.

Brandsen ontwierp zelf het toneelbeeld, bestaande uit blauwkleurige schotten aan de zijkanten en een rechthoekige achterwand die halverwege omhoog wordt getrokken. Zijn vaste ontwerper François-Noël Cherpin koos voor nauwsluitende, doorzichtige tricots in vage, donkere tinten bedrukt met rechte lijnen, die mysterieus opgloeien in de naalddunne lichtbundels van Dominique Drillot. Zo te zien bevindt Brandsen zich in goed gezelschap bij Introdans.