Dagelijkse taalgebruikers in de kou

Het nieuwe Groene Boekje is er, de spellingswals rolt voort. Waarom horen we zo weinig van de hoogleraren en leraren Nederlands, die met de nieuwe, vaak gekunstelde regels moeten werken, vraagt Koos Metselaar zich af. De ingewijden lijken langzamerhand murw gebeukt, maar de gewone taalgebruikers zijn ten prooi aan verwarring.

“Kindje, je bent zo stil. Is er iets?”

“Papa, meester zegt dat het kerkenraad is, maar u en mama, en opa en oma, en dominee zeggen allemaal kerkeraad.”

“Ach, mijn lieve kind, hoe zal ik je dat nu eens duidelijk maken? Je moet weten, er zijn ministers, dat zijn belangrijke meneren en soms ook mevrouwen, die de mensen moeten dienen. Minister is een Latijns woord dat dienaar betekent. Als ministers denken dat de mensen problemen hebben, zullen zij proberen die problemen te helpen oplossen. Zo kon het gebeuren dat in Vlaanderen en in Nederland ministers opdracht gaven aan professoren - dat zijn hele knappe mensen - om te onderzoeken of de spelling van de Nederlandse taal nog wel goed was. En wat hebben zij ontdekt? Als de gewone mensen, zoals mama en ik, en opa en oma en dominee, de Nederlandse taal spellen, zou dat heel wat beter kunnen. Daarom hebben ze nieuwe regels gemaakt. Als je die regels nu maar goed toepast, hoef je geen fouten meer te maken. Je weet dan meteen waarom het kerkenraad moet zijn, en niet kerkeraad.”

“En als dominee per ongeluk expres toch nog een keer kerkeraad zegt? Krijgt hij dan straf, of een bekeuring?”

“Lieve kind, ik denk het niet. Voor zover ik weet hoeft onze dominee die nieuwe regels niet te volgen, want hij werkt niet in het onderwijs en ook niet bij de overheid. Maar je meester, die moet oppassen. Hij zal jullie die nieuwe dingen wel allemaal gaan leren.”

Tot zover dit boze sprookje. Vorige week noemde Warna Oosterbaan op deze pagina (NRC Handelsblad, 29 februari, 'Nieuw behang voor de taalkamer') de taalkundigen die op grond van inhoudelijke argumenten bezwaar hebben aangetekend tegen de nieuwe regels voor de tussen-n in samenstellingen “erg verstandige mensen” en hij zag ook scherp dat de nieuwe regels tot bizarre gevolgen leiden. Verder gaf hij toe dat de nieuwe regels voor de tussen-n “niet te beredeneren” zijn, om daar meteen een conclusie aan te verbinden. “Heel juist, maar daarom is dat nieuwe Groene Boekje ook zo handig! Daar staan al die nieuwe woorden in!”, aldus Oosterbaan.

Hier is sprake van een misvatting. Een spellingregeling die tot bizarre gevolgen leidt, deugt gewoon niet. Want in het Groene Boekje staan niet “al die nieuwe woorden”. De Nederlandse taal verandert, er komen steeds weer nieuwe woorden bij, en vooral ook samenstellingen. Onze taal leent zich heel goed voor het maken van samenstellingen. Als je dan de nieuwe regels zou willen toepassen, moet je constateren dat die basis zo stabiel is als een zandkasteel op de vloedlijn. Zo is bedacht dat we naar het meervoud moeten kijken. Als het meervoud zowel op -n als op een -s kan eindigen (gedaanten/gedaantes), moeten we in de samenstelling geen -n schrijven. Dus: gedaanteverwisseling. Met dat resultaat is in dit geval heel goed te leven, maar de redenering klopt niet. Een vergelijkbaar geval is 'secondelang' op grond van het voorkomen van seconden en secondes. Met zo'n regel begeven we ons in drijfzand. Sommigen immers zien in die meervoudsvormen een onderscheid tussen schrijftaal en spreektaal (gedaantes/gedaanten), en er bestaan ook regionale verschillen bij het gebruik van de -n of de -s in het meervoud.

We moeten vaststellen dat hier een poging is ondernomen om de bestaande, veelvormige taalwerkelijkheid te vangen in regels, waarna diezelfde regels dwingend worden opgelegd voor de spelling van sinds lang bestaande woorden (kerkeraad). Die regels zouden bovendien moeten worden toegepast bij nieuwe woorden, terwijl vriend en vijand zien dat die regels gekunsteld zijn, en niet te beredeneren, laat staan dat je er kleine kinderen mee zou moeten lastig vallen.

We nemen graag kennis van wetmatigheden die taalkundigen na scherpzinnig onderzoek van taalverschijnselen op het spoor zijn gekomen. Dat is fascinerend. Iets anders is het verzinnen van regels die bij een eenvoudige empirische toetsing onhoudbaar blijken.

Na het verschijnen van het nieuwe Groene Boekje zou de indruk kunnen zijn ontstaan dat we opnieuw worden ondergedompeld in een onvoorstelbare spellingchaos. Die voorstelling van zaken is overdreven. Er zijn sinds de spellingherziening van 1954 nu duidelijke verbeteringen te constateren. De keuze tussen voorkeurspelling en toegelaten spelling is afgeschaft, al te opvallende inconsistenties zijn verholpen, en er is een lofwaardige poging ondernomen om enige helderheid te verschaffen bij de keuze tussen trema en verbindingsstreepje. Dat neemt niet weg dat met name de regels voor de tussen-n tot verwarring zullen blijven leiden.

In zijn boek Spellingverandering van zin naar onzin (1200-heden) heeft G.C. Molewijk een hilarisch maar ook onthutsend beeld geschetst van de chronische veranderzucht waaraan spellingzeloten van allerlei slag ten prooi zijn. In een bespreking van dit boek kwam Rudy Kousbroek met een suggestie: dergelijke lieden konden maar het beste worden opgesloten in zonnige klinieken, alwaar zij liefdevol verzorgd zouden moeten worden. Kousbroek is de beroerdste niet.

Intussen lijkt het erop alsof de nieuwe spellingwals voortrolt. Waar blijven dit keer de schrijvers met hun bezwaren? Waarom horen we zo weinig van de (hoog)leraren en leraren Nederlands, die geacht worden de nieuwe regels te volgen en die deze ook zullen moeten toepassen in het onderwijs aan hun studenten en leerlingen? Functioneert het wetenschappelijk forum hier nog wel? Het is maar een vraag.

Wie dezer dagen het onderwerp spelling aanroert ten overstaan van hooggeleerde Neerlandici, kan rekenen op pijnlijke grimassen, gevolgd door cynische opmerkingen. De ingewijden zijn langzamerhand murw gebeukt, zij kennen hun 'Molewijk', ze lijken geneigd zich dit keer gedeisd te houden. Taal is zoveel meer dan die vervelende spellingkwesties, lijken ze te denken, en daar hebben ze natuurlijk gelijk in.

Intussen staan de dagelijkse taalgebruikers in de kou. Zij kunnen behalve het Groene Boekje (ƒ 39,90) ook de nieuwe driedelige Van Dale (ƒ 325,-) en de nieuwe Spellinggids (ƒ 29.90) aanschaffen. Voor in totaal ƒ 394.80 heb je dan drie naslagwerken op je bureau liggen, met elk een eigen interpretatie van de nieuwe spellingregels, en dus met drie verschillende spellingen. Dat is goed voor uren intensief puzzelgenot, maar uitsluitsel zal het niet bieden.

Het Genootschap Onze Taal heeft er onlangs in zijn tijdschrift Onze Taal vriendelijk maar ook met klem voor gepleit dat de samenstellers van het Groene Boekje en de redacties van de grote, belangrijke woordenboeken op zo kort mogelijke termijn de koppen bij elkaar steken. Zij zouden de onderlinge discrepanties en de onhanteerbare regels uit de wereld moeten helpen. Eind vorige week heeft het Genootschap van hoofdredacteuren een vergelijkbaar verzoek gedaan.

Tot nu toe is weinig gebleken van enige bereidheid tot herbezinning. We hebben hier te maken met knappe, maar kennelijk ook harde koppen. Misschien vindt de geplaagde taalgebruiker sneller begrip bij de uitgevers van deze naslagwerken als hij voor die paar honderd gulden eerst wat andere boeken koopt, of cd's. Muziek is als balsem voor een gepijnigde ziel. Volgens de nieuwe woordenlijst moeten we voortaan trouwens schrijven: zielenpiet, zielenpijn, zielenpoot en zielenroerselen.