Zorgen over groeiende instabiliteit in Golfgebied

Het gist in de Golf. Bahrein is al vijftien maanden lang het toneel van rellen. Qatar blijft de naar buiten toe altijd hoog gehouden onderlinge solidariteit tussen de Golfstaten aan zijn laars lappen en is nu met een poging tot staatsgreep gestraft. Saoedi-Arabië, waar de bomaanslag van november nog nadreunt, lijkt met zijn zieke koning verre van stabiel. De buren Irak en Iran worden van inmenging en opstokerijen beschuldigd. De toestand wordt kennelijk zo instabiel geacht dat de Verenigde Staten en Frankrijk deze week hebben besloten militaire oefeningen in het gebied te vervroegen. Revoluties in dit olie- en gasgebied zijn niet in hun belang, en de VS beschikken uitgerekend in Qatar en Bahrein over uitgebreide militaire faciliteiten.

Zo onrustig als in Bahrein is het nergens in de lidstaten van de Samenwerkingsraad voor de Golf (GCC: Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman, Qatar en Bahrein). Bijna elke dag worden demonstraties, brandstichtingen en andere sabotagedaden gemeld, evenals arrestaties. Bahrein telt niet zoveel inwoners: ongeveer 500.000 van wie 200.000 buitenlanders. Maar inmiddels zijn er volgens de oppositie al ruim 2.000 mensen gevangen gezet, 0,6 procent van de inheemse bevolking. De regering houdt het op 600 arrestanten.

Van de Golfstaten bevindt Bahrein zich ook wel in de moeilijkste positie. Het heeft alle problemen van de GCC-landen - autocratische, hebberige koninklijke families, afnemende olievoorraden, dalende olieprijzen gecombineerd met de dreiging dat Irak op de oliemarkt terugkeert, grensconflicten - in versterkte mate en het heeft nog iets extra's: een shi'itische meerderheid onder sunnitisch bestuur. Bahrein was, in 1932, wel de eerste olieproducent in de regio, maar de olievoorraad is klein en de produktie neemt al jaren gestaag af, van 76.000 vaten per dag in 1973 tot 42.000 vaten nu. Ter vergelijking: Saoedi-Arabië produceert dagelijks ongeveer 8 miljoen vaten. Over 20 jaar is de Bahreinse olie helemaal op. De inkomsten uit toerisme, voornamelijk uit de Arabische wereld, zijn nu al groter dan die uit olie. Wel is Bahrein een belangrijk internationaal bankcentrum. Resterende tekorten worden grotendeels door Saoedi-Arabië aangezuiverd, maar het land blijft zeer krap bij kas èn aan de Saoedische genade overgeleverd.

Bahrein wordt in de praktijk voor een groot deel door buitenlanders geleid, van de politie - Pakistanen onder leiding van een Brit als erfenis uit de koloniale tijd - tot het bedrijfsleven, dat eveneens veel goedkope Aziatische arbeid importeert. De lokale bevolking komt moeilijk aan het werk, en veel uitzicht op verbetering is er niet.

Pagina 4: Geen inspraak shi'itische meerderheid

De werkloosheidsproblemen in Bahrein worden des te scherper gevoeld temidden van de politieke onvrijheid. De sunnitische koninklijke familie van de al-Khalifa's, die al twee eeuwen regeert, duldt geen inspraak van de shi'itische meerderheid. Resultaat is de huidige, vaak gewelddadige democratiseringscampagne.

De actievoerders grijpen terug op de korte tijd toen Bahrein een echt parlement had, van 1973 tot 1975, na de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië. Volgens oppositieleiders in ballingschap hadden de al-Khalifa's de implicaties van de nieuwe grondwet indertijd misschien niet goed begrepen. In elk geval had het machtige buurland Saoedi-Arabië niets op met een democratisch Bahrein. Toen het parlement protesteerde tegen een decreet van de emir dat detentie zonder vorm van proces van politieke verdachten voor een periode van drie jaar mogelijk maakte, moedigde Saoedi-Arabië de emir aan het orgaan te schorsen. Van vakbonden, onafhankelijke rechters of een vrije pers is sindsdien evenmin sprake. Amnesty International sprak afgelopen september van “een mensenrechtencrisis” in Bahrein.

De actievoerders zijn voornamelijk shi'itisch; bij gebrek aan andere fora voeren zij vooral vanuit de moskeeën campagne en tellen zij veel geestelijken in hun gelederen. Die geestelijken zijn weer voor een aanzienlijk deel gevormd op de islamitische opleidingen van de Iraanse heilige stad Qom. Iran op zijn beurt heeft tot 1970 Bahrein voor zich opgeëist. Dat bijeen genomen maakt het de autoriteiten makkelijk alle schuld af te schuiven naar Iran, en verder geen enkele actie te ondernemen. Bijna alle Arabische landen, weinig bevriend met Iran, volgen hen daarin; voorop Saoedi-Arabië, dat nog steeds niets van democratie wil weten en, mede indachtig zijn eigen onderdrukte shi'ieten en dissidenten, uitdrukkelijk waarschuwt tegen elke dialoog in Bahrein. Kroonprins Abdullah onderstreepte twee weken geleden nog dat de onrust in Bahrein “onze maatschappijen vreemd is en een wanhopige poging vormt om Arabische en regionale veiligheid en stabiliteit te vernietigen”.

De oppositie ontkent een Iraanse inbreng te enen male. Zij houdt vol alleen actie te voeren voor democratische hervormingen, niet voor islamisering van de maatschappij. “Wij houden van imam Khomeiny”, zei een Bahreinse demonstrant, “maar niet omdat hij een Iraniër is. Wij houden van Khomeiny zoals de katholieken van de paus houden of die nu Italiaan, Fransman of Pool is.” Diplomaten ter plaatse bevestigen niet over bewijzen te beschikken dat de Islamitische Republiek de shi'ieten opstookt. Voor zover er sprake is van een buitenlandse - lees Iraanse - inbreng is die volgens hen niet doorslaggevend. En het is een feit: Iran, met zijn rampzalig slechte economische situatie, is meer gebaat bij rust dan bij instabiliteit in zijn omgeving.

Alleen Qatar toonde zich weer tegendraads, zoals het tegenwoordig gewoon is. In een in het gebied werkelijk ongehoorde actie kregen Bahreinse opposanten gelegenheid hun denkbeelden op de radio uit te dragen. Qatar is, evenals Bahrein, klein en kwetsbaar. Maar in tegenstelling tot zijn buurland, dat zich ter bescherming tegen het grote Saoedi-Arabië aanschurkt, heeft het veiligheid gezocht in een zo groot mogelijk aantal beschermheren: het heeft defensieakkoorden met de Verenigde Staten en Frankrijk, maar het heeft ook voor de regio opmerkelijk goede betrekkingen met Iran en Irak.

Qatars huidige kwetsbaarheid is niet zozeer zijn economische vooruitzichten - het beschikt over gigantische gasvoorraden - maar zijn leiderschap. De emir van Qatar, sjeik Hamad bin Khalifa al Thani, zette in augustus in een geweldloze coup zijn vader, sjeik Khalifa bin Hamad al-Thani, af. Deze voorzag zich volgens de laagste schattingen van Qatarese functionarissen van 3 miljard dollar uit de staatskas - ongeveer een jaar inkomen uit export - en ging op tournee langs Arabische hoofdsteden waar hij des te hartelijker werd ontvangen naarmate de relaties met de jonge emir, naar lokale verhoudingen een democraat, slechter waren. In Bahrein werd hij dus als ware hij nog staatshoofd ontvangen.

De poging tot staatsgreep die vorige week in Qatar volgde, was duidelijk een vingerwijzing aan de emir, die ook al was weggelopen uit een top van de GCC, dat hij nu echt te ver was gegaan. In Qatar is gezegd dat Bahrein en Saoedi-Arabië bij het komplot waren betrokken. Sjeik Hamad zelf sprak gisteren van buitenlandse betrokkenheid, maar wilde (nog) geen namen noemen “om niemand in verlegenheid te brengen”.

Iran heeft Qatar 30.000 man aangeboden om zich beter te kunnen verdedigen, zo meldde gisteren de Arabische krant Al-Hayat uit Qatarese bron te hebben vernomen, maar zover wilde zelfs Doha niet gaan. Het land had in plaats daarvan Frankrijk om hulp gevraagd “tegen buitenlandse gevaren”. Het lijkt erop dat deze hulp nu wordt geleverd in de vorm van de vervroegde militaire oefeningen.

De VS spannen zich daarnaast in de regionale spanningen te sussen voordat de toestand uit de hand loopt. Washingtons buitengewoon slechte relatie met Iran en Irak, die het beide als machten van het kwaad ziet, stimuleert deze inspanning. Maar zolang de Saoedische koning Fahd “democratie niet geschikt voor deze regio” acht, blijft herstel van de rust een illusie.