Zelfvertrouwen en individualisme bij de jongste parlementariërs; De Kamerjeugd van tegenwoordig

Met de paarse omwenteling van 1994 heeft bijna de helft van de oudgedienden in de Tweede Kamer het veld moeten ruimen voor nieuwkomers. Vooral de jongsten onder hen trekken zich van ingesleten gewoonten weinig aan. Eigen ideeën gaan voor het programma en zelfvertrouwen is belangrijker dan een groepsgevoel. De lichting-paars rukt op: 'Niet zeuren, mee veranderen met een stukje tijd'.

Sedert enkele maanden staat André Rouvoet bekend als het chocomel-jongetje van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. Tijdens één van de openbare verhoren van de commissie-Van Traa, vorig najaar, had de jonge jurist een glaasje met die frisdrank besteld ter onderbreking van een ochtend koffie drinken. Dat had Rouvoet niet moeten doen. “Zo op het oog lijkt het of daar aan het eind van de tafel achter dat glaasje chocomel een parlementaire stagiaire zit”, schreef Elsevier die week, om er vergoelijkend aan toe te voegen: “maar zijn ter zake doende vragen hebben al menige getuige in verwarring gebracht.”

Het beeld van de chocomel-drinkende stagiaire werd niet alleen door andere media overgenomen, maar ook gebruikt door een oudere collega van Rouvoet in de enquêtecommissie. Toen hij op een dag één van de getuigen, het oud-Kamerlid Stoffelen, aan een openbaar verhoor onderwierp en Stoffelen spectaculaire antwoorden gaf, stelde commissie-voorzitter Van Traa even later precies dezelfde vraag. Tot niet geringe teleurstelling van Rouvoet vertoonde Nova 's avonds niet hem maar Van Traa als de slimme vragensteller. Ook in de verslaglegging van de enquête troefde de voorzitter zijn jongere collega af: het eindrapport van de commissie vermeldt niet Rouvoet als de vragensteller, maar Van Traa.

Het 34-jarig Kamerlid kan inmiddels lachen om de gebeurtenissen. Hij heeft ze verwerkt als een van de handigheidjes van gevestigde parlementariërs die jonge Kamerleden kennelijk moeten incasseren. Rouvoet laat tevens weten door een uitgever te zijn benaderd om het dagboek dat hij bijhield van het enquête-werk te publiceren. Het betekent een kleine revanche op Van Traa. De laatste is die eer nog niet te beurt gevallen.

Rouvoet is één van de 73 nieuwkomers die sinds het aantreden van het paarse kabinet in 1994 de Tweede Kamer bevolken. Sinds 1956, toen het aantal Kamerleden werd uitgebreid van 100 naar 150, was de personele vernieuwing van het parlement niet zo groot. Ook de aanwas van jong parlementair personeel mocht er zijn. Behalve Rouvoet (RPF) belandden ook Sharon Dijksma (in 1994 23 jaar oud; PvdA), Marjet van Zuijlen (27; PvdA), Stephanie van Vliet (27; D66), Peter Rehwinkel (29; PvdA), en Bibi de Vries (31; VVD) op de blauwe kamerzetels. Ze haalden de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse parlementariër naar beneden, van 49 en een half jaar in 1993 tot 47 jaar en vier maanden in 1995.

Guppen

De omwenteling van 1994 mag dan geassocieerd worden met de formatie van het paarse kabinet, de betekenis van zoveel nieuwkomers overstijgt de komst van de CDA-loze regering op den duur. Aan paars komt ooit een einde, maar de nieuwelingen blijven, althans de meeste. Ze groeien op in een parlementair tijdperk dat afscheid heeft genomen van de langdurige dominantie van één partij. Machtige belangengroepen raakten van de ene op de andere dag hun vaste contacten in het parlement kwijt. Ingesleten gewoonten waar niemand meer over nadacht kwamen ter discussie te staan.

Het zijn vooral de jongere politici die zich als guppen in het water van het nieuwe klimaat voelen, zo maakt een rondgang langs vier van hen duidelijk. Doordat na de kladderadatsch van 1994 weinig oudgedienden overbleven, konden de chocomeljongens en -meisjes oprukken naar vooraanstaande posten binnen hun fracties. Ze leerden voor zichzelf op te komen en op zichzelf te vertrouwen. Groepsgevoel werd niet hun sterkst ontwikkelde eigenschap. In een generatieconflict geloven ze - ondanks de opkomst van de ouderenpartijen - geen van allen.

Marjet van Zuijlen is voor de PvdA-fractie specialist omroeppolitiek, telecommunicatie, midden- en kleinbedrijf en indirecte belastingen. Eind vorig jaar trad ze op als woordvoerster in het debat over de winkeltijdenwet. Verder is ze één dag in de week verbonden aan het wetenschappelijk instituut van de PvdA om daar een boek te schrijven over de informatiemaatschappij. Twee van haar belangrijkste wapenfeiten tot nog toe zijn de aanname van een amendement op de winkeltijdenwet dat het aantal koopzondagen beperkt tot twaalf per jaar, en een versnelde liberalisering van de telefoon-industrie.

Van Zuijlen besteedde tijdens haar studies geschiedenis en politicologie veel aandacht aan de SDAP en heeft een tante die Hilda Verweij-Jonker heet, PvdA-ster van het eerste uur. Afkomstig uit een 'hoger middenklassegezin' - haar beide ouders zijn leraar - zag Van Zuijlen echter de VVD-politica Neelie Smit Kroes als één van haar grote voorbeelden. Dat zij zelf toch bij de PvdA terechtkwam, had te maken met het belang dat ze eraan hechtte om in één politieke partij de belangen van verschillende lagen van de bevolking te integreren. Partijvoorzitter Rottenberg, die haar benaderde voor de kandidatenlijst, kende haar onder meer van haar werkzaamheden voor het PvdA-instituut dat cursussen voor lokale bestuurders organiseert en netwerken voor burgemeesters helpt opzetten.

Van Zuijlen onderscheidt drie rollen als parlementariër: wetgeving voorbereiden, relaties met maatschappelijke organisaties onderhouden en het publiek debat entameren. Zelf legt ze de nadruk op het laatste. Liever schreef ze artikelen voor opiniepagina's en het blad van het wetenschappelijk instituut van de partij, dan dat ze de zaaltjes in het land afreisde om het partijstandpunt te vertolken.

Stukken schrijven doet ze vaak met anderen. “Samen schrijven inspireert wederzijds”, zegt ze. Eén van haar schrijfpartners is nieuwkomer en hoogleraar Rick van der Ploeg. Samen worden ze afgeschilderd als de sociaal-liberale vleugel binnen de fractie. “Samen schrijven met Rick heeft ook nadelen”, zegt ze, “want hij heeft als hoogleraar meer een naam dan ik. Ik ben erg op mijn onafhankelijkheid gesteld. We hebben trouwens een tijd niks meer samen geschreven. Dat moeten we vaker doen.”

In het winkeltijdendebat werd Van Zuijlen de personificatie van de 'funshoppende yup.' Aanleiding was haar uitspraak dat winkelen voor het pure plezier moest kunnen, en dat ze dat zelf ook wel eens deed. “Ik had de term funshoppen ergens opgepikt, misschien in Amerika of zo. Ik heb er geen moreel oordeel over, maar dat leek wel zo, omdat ik zei dat ik het zelf ook deed. Kennelijk moet je zulke dingen niet zeggen, want dan denkt iedereen dat je de winkels open wilt hebben om zelf te kunnen shoppen. Ik heb ervan geleerd. Het leidde de discussie af van waarom het bij de winkeltijdenwet ging: door verruiming laaggeschoolden, jonge starters en anderen die nu aan de kant staan een kans geven zelf iets te beginnen. Om yuppen ging het helemaal niet: die kunnen in de grote steden nu allang op zondag hun boodschappen doen.”

Van Zuijlen voelt zich geen belangenbehartigster van jongeren. “Kamerleden zitten er niet voor één groep. Kijk maar naar de ouderenpartijen hoe dat mislukt. Bovendien: dé jongeren bestaan niet. Studenten en werkende jongeren hebben heel verschillende belangen. Negentig procent van de jongeren heeft het dik voor elkaar.” Wel is ze gefascineerd door het begrip generatie. Ze herkende zich in de aanduiding die Anil Ramdas twee jaar geleden in deze krant gaf van 'haar' soort: beschikkend over weinig illusies maar wel ernstig nadenkend over wat er elders gebeurt, pessimistisch van verstand maar optimistisch van wil, een tikkeltje oppervlakkig en hedonistisch tenslotte. Zelf houdt Van Zuijlen van “mooie dingen, mooie musea, van mooi ingerichte huizen en mooie mensen die zich verzorgd kleden. Ik kom uit een sober gezin, maar hou van mooie soberheid, snap je?”

Hijgen

Van Zuijlens nog jongere fractiegenote Sharon Dijksma kwam wel als jongerenkandidaat in de Tweede Kamer, en worstelt sindsdien met die rol. “Er zijn één miljoen jongeren in Nederland. Als er één jongere in Nederland is die hen kan vertegenwoordigen, dan is dat Sharon”, waren de woorden waarmee ze als jongste parlementariër ooit door de Jonge Socialisten (JS) de fractie in werd gekatapulteerd. Inmiddels heeft Dijksma de beperkingen van het imago als belangenbehartigster voor één maatschappelijke groep leren kennen.

“Te gek voor woorden”, riep Dijksma in de zomer van 1994 toen bekend was geworden dat kabinets-informateur Wim Kok 1 miljard op het hoger onderwijs wilde bezuinigen. Wat later zou Dijksma dan ook tegen de kortingen op de studieduur en andere voorzieningen in het hoger onderwijs stemmen. Ze was echter de enige. “Ik was er niet in geslaagd de meute mee te krijgen”, zegt ze berustend. Het is een incident waarmee ze niet graag haar hele politieke leven samen gevat ziet worden. “Mensen herinneren zich alleen dat ene over je. Het is hetzelfde als je dood gaat: bij je graf wordt in één of twee dingen je hele leven samengevat. Het is een ongenuanceerdheid waar zelfs ik niet goed van word.”

Sindsdien werd wat minder van Dijksma vernomen en ging ze haar profiel verbreden. Het Kamerlid bleef zich weliswaar met jongeren bezig houden - bijvoorbeeld als bewaakster van een correcte uitvoering door de gemeenten van de wet op het jeugdwerkgarantieplan (JWG). “Op dat punt moet ik binnenkort minister Melkert nog eens in zijn nek hijgen”, zegt ze. Maar daarnaast kreeg ze ook voortgezet onderwijs en ontwikkelingssamenwerking in haar portefeuille. Straks gaat ze de financiële gelijkstellingsregeling tussen bijzonder en openbaar onderwijs behandelen - altijd goed voor het nodige politieke gekrakeel. “Dat gaat vast veel publiciteit geven. Ik ben daar wel content mee. Marjet had dat met de winkeltijden. Dat zal mij nu ook wel gebeuren”, denkt Dijksma.

Bij de privatisering van de ziektewet stemde Dijksma niet tegen, zoals collega-fractielid Vreeman deed. Dat was opmerkelijk. Immers, als JS-voorzitster had Dijksma zichzelf geprofileerd als sociale geweten van de partij. Naar aanleiding van de bezuinigingsplannen van het vorige kabinet met de bijstand had zij zelfs staatsecretaris Elske ter Veld opgeroepen om af te treden, hetgeen even later naar aanleiding van de WAO-plannen ook gebeurde. De afgelopen maanden trad er echter een rolverwisseling op. Terwijl Ter Veld, inmiddels PvdA-senator, probeerde het privatiseringsvoorstel bij te buigen in sociaal aanvaardbaar richting, had Dijksma met de voorstellen ingestemd. “Het was een heel moeilijke afweging maar na een overtuigend verhaal van Karin Adelmund zijn we toch akkoord gegaan. Het gaat er om wat de mensen in hun portemonnee krijgen, niet hoe ze het krijgen. Hoogte en duur van de uitkering zijn in het regeerakkoord gegarandeerd”, zegt ze ter verklaring.

Ondanks alle bezuinigingen op jongerenvoorzieningen en hervormingen van de sociale zekerheid ten koste van nieuwe generaties houdt Dijksma geen rekening met jongerenrellen. “Natuurlijk is het heel belangrijk om zo snel mogelijk wat aan de jeudwerkloosheid te doen. Want de jongeren die nu werkloos zijn hebben we straks hard nodig om alle voorzieningen te betalen. Maar ik geloof niet in rellen of zo. Dat is iets van de jaren zestig. Het probleem is dat mensen nu stil aan hun sociale problemen onderdoor gaan en die niet politiek uiten. De onvrede uit zich heel anders, bijvoorbeeld in het ontduiken van regels. Ik geloof nog steeds in de uitspraak van Den Uyl dat het belangrijk is de boel bij elkaar te houden. Daarvoor zit ik in de politiek.”

Dollen

Bibi de Vries, het jongste Tweede-Kamerlid voor de VVD, is de politiek in gegaan “om een plezierige samenleving te creëren. Het klinkt misschien stom, maar je wilt dat een stukje samenleving dusdanig goed in elkaar zit dat een ieder goed tot zijn recht kan komen.” Als gevolg van de privatisering van de ziektewet en andere hervormingen in de sociale zekerheid kan dat volgens haar steeds beter. En als straks het regeringsbeleid slaagt en meer mensen aan het werk komen, lost het probleem van de betaalbaarheid van de AOW zichzelf ook vanzelf op, denkt De Vries. “Pure vooruitgang” noemt ze alle hervormingen dan ook.

De fiscaliste is afkomstig uit een “a-politiek nest” en kwam een paar jaar geleden met haar echtgenoot in Almere wonen om daar als belastingadviseur te gaan werken. “Ik wilde mensen leren kennen en ben toen lid geworden van de VVD. Die club stond me wel aan. Ik deed het om een stukje samenleving op orde te krijgen, niet vanuit een bepaald geloof, zoals Rouvoet. Die gaat heel erg uit van beginselpolitiek. Ik hou niet zo van dat dogmatische, al moet ik zeggen dat we elkaar behoorlijk zitten te dollen als we bij de stemmingen in de Tweede Kamer bij elkaar in de buurt zitten.”

De Vries trad toe tot de gemeenteraad en werd in 1993 benaderd door de kandidaatsstellingcommissie van de VVD. Die zocht fiscaal talent voor de Tweede-Kamerfractie. De Vries: “Ik had geen ambitie om de Tweede Kamer in te gaan. Toen die mogelijkheid om de hoek kwam kijken, dacht ik: ik wil dat alleen als ik de lijn van het fiscale kan vasthouden. Nu ik er eenmaal zit, vind ik het een wereldbaan.”

Haar grote dag was 19 maart 1995. Toen slaagde De Vries erin de Sociaal-Economische Raad, één van meest gerespecteerde instellingen uit de overleg-economie, een gevoelige slag toe te brengen. De Kamer nam haar amendement aan dat erop neer kwam dat de verplichting voor de regering om voor sociaal-economische wetgeving advies aan de Sociale Economische Raad te vragen, werd geschrapt.

Als zelfstandig politiek ondernemer had ze haar overwinning eigenhandig binnengesleept. “Het debat over de adviesplicht aan de SER werd gevoerd op mijn verjaardag, 15 maart, een zeer heuglijke dag. Ik heb er een vrolijk debat van gemaakt met Winnie Sorgdrager. De dinsdag daarop was stemming. Ik ben alle onzekere stemmers afgegaan, het AOV en zo. Het zou erom spannen. Het zou 75-75 worden. Toen ben ik als een speer gaan rekenen en gaan kijken: wie zijn er allemaal aanwezig? Ik heb toen een hoofdelijke stemming aangevraagd. Mijn voorstel is met 74 tegen 70 stemmen aangenomen. Op dat moment is het gewoon een kwestie van politiek afmaken.”

De Vries verbaast zich erover dat vakbondslobbyisten en andere verdedigers van de overleg-economie zich overrompeld voelden door de parlementaire besluitvorming. “Het is een historisch amendement geweest, laten we daar helder over zijn. Veel mensen waren zo naïef om te denken dat het niet zou gebeuren. Dat kwam omdat een paar jaar eerder een initiatief-wetsvoorstel van Bolkestein, Rempt en Linschoten van dezelfde strekking was afgestemd. Maar bij het paarse kabinet was het toch weer mogelijk. Dus toen dacht ik: niet zeuren, mee veranderen met een stukje tijd. Wat me namelijk opviel toen ik naar den Haag kwam was dat er in de politieke en ambtelijke wereld nogal wat mensen zijn die twintig jaar een bepaalde macht hebben uitgeoefend en daardoor volstrekt niet meer benaderbaar zijn. Ze krijgen dan een heel autoritaire uitstraling en kunnen zich niet meer in situaties van anderen verplaatsen. Flexibiliteit van geest, daar gaat het om! Daarom vind ik job-rotation op bijvoorbeeld de departementen zo'n goede zaak.”

De volgende bestormingsactie van Den Haag door De Vries moet nog even op zich laten wachten. Sinds enige tijd brengt ze veel tijd thuis door in verband met de geboorte van dochter Sophia. “Maar vanaf april gaan we er weer volop tegen aan.” Oma de Vries zal op de kleine passen tot de zomer. Daarna gaat Sophia vier dagen “hupsakee, de crèche in”, zegt de Vries. “Ik heb daar een goed gevoel over: lekker tussen leeftijdgenootjes, met een vaste regelmaat en een gelukkige moeder. Want met thuiszitten zou deze moeder niet gelukkig worden.”

Gallus-gallus kip

André Rouvoet kijkt zorgelijk. De RPF-er mist iets bij zijn jonge collega's. “Ik zie een grote gedrevenheid en grote gretigheid, maar ik mis visie. Vanuit welke uitgangspunten bedrijven ze politiek? Welke normen hanteren ze? Laatst was ik aanwezig bij de verschijning van een boekje waarin jongeren hun kijk op de toekomst tot 2025 gaven. Wat mij opviel was dat ze bijna allemaal zeiden dat we tegen die tijd allemaal op Internet zitten, allemaal digitaal zijn gegaan, enzovoorts. Huidige ontwikkelingen werden gewoon geëxtrapoleerd. Velen hadden een opvatting hoe de toekomst er zou uit zien, weinigen hoe die toekomst er zou moeten uitzien. Ik vond ze weinig visionair.”

Zelf wil Rouvoet een “geroepen politicus” zijn, “geroepen om vanuit het werk van Christus politiek te bedrijven.” Wat dat betekent schreef hij onder meer in een boek dat hij publiceerde tijdens zijn werk voor het wetenschappelijk instituut van de RPF waarvan hij op zijn 27ste directeur werd. Hij zegt: “Ik pleit voor een christelijk-sociale politiek, gericht op vergroting van werkgelegenheid en bestrijding van armoede, ook mondiaal, en verbetering van de maatschappelijke verhoudingen door een actief gezinsbeleid.”

Te weinig worden dergelijke grote lijnen in de politieke debatten zichtbaar, vindt Rouvoet. “Het politieke discours is vaak te gefragmenteerd en verbrokkeld.” Het jonge Kamerlid botste in 1994 dan ook meteen al bij de eerste begrotingsbehandeling van Justitie met minister Sorgdrager. Vanuit welke “ijkpunten” bedreef zij politiek, wilde Rouvoet weten. “Ik denk aan een ijkpunt naar aanleiding van iedere concrete situatie”, antwoordde ze. Rouvoet nam met dat antwoord geen genoegen. Na afloop maakte hij een afspraak met haar voor een nader kennismakingsgesprek.

Op het debat terugkijkend zegt hij: “Het ging toen bijna alleen maar over honderd cellen meer of minder. Dat Sorgdrager niet op mijn vragen was voorbereid vond ik veelzeggend. Ik wilde in dat debat mijn visitekaartje afgeven: zo zit ik in elkaar, zo wil ik de Kamer aanspreken. Ik ben beschikbaar voor details maar wil ook de grote lijnen niet uit het oog verliezen. Oudere collega's zeiden: zo doen we dat hier niet. Toen zei ik: ja, maar daar zijn we toch zelf bij? Het is voor mij een raadsel waarom de Kamer wel plenair sprak over de afmetingen van het hok van de Gallus-galluskip, maar geen behoorlijk debat heeft gevoerd over het verdrag van Maastricht.”

Rouvoet is lid van de jongste fractie in de Tweede Kamer. Zijn twee mede-RPF-ers Van Dijke en Stellingwerf zijn respectievelijk 39 en 42 jaar oud. De meerderheid der Kamerleden is veertiger of vijftiger. Rouvoet gelooft echter niet dat deze groep de doorstroming van jonge parlementariërs als hij zal bemoeilijken. “Na de publikatie van het rapport-Van Traa ben ik op vakantie gegaan. Toen las ik Nieuw Babylon in Aanbouw van James Kennedy, een fantastisch boek. Daarin trof ik de gedachte aan dat het niet de kabouters en provo's zijn geweest die in de jaren zestig de modernisering hebben bewerkstelligd, maar juist de regenten die zich snel aanpasten. Ik vind dat een leuke these die je misschien ook op onze consensus-gerichte politieke cultuur kunt toepassen: oudere collega's zullen zich niet als regenten gedragen maar gewoon meebuigen met nieuwe gewoonten.”