Waarden zijn een kwestie van smaak

Waarop stoelen onze normen en waarden? De klassieke gedachte is dat ze uit hoger sferen komen, maar Bart Voorzanger heeft daar geen vrede mee. Er is een platvoerser antwoord, dat weliswaar leidt naar moreel relativisme, maar toch evidente voordelen biedt omdat het absolute morele gelijk, dat al zo menige gemeenschap heeft gespleten, dan verdwijnt.

Waar moeten we de gronden van onze morele overtuigingen zoeken? Philipse (4 januari) en Roskam (29 januari) zijn het er niet over eens, en dat verbaast me niet. Philipse suggereert bij de evolutie te rade te gaan. Roskam weet genoeg van evolutiebiologie om te weten dat je die gronden daar niet vindt. Hij zoekt het in het humanisme. Misschien weet Philipse genoeg van humanisme om te weten dat je ook daar tevergeefs zoekt.

Wat me wèl verbaast is dat Philipse en Roskam beiden van mening lijken dat er iets is waarvoor wij, waar dan ook, te rade moeten gaan, dat normen en waarden dingen zijn die je met enige zorg aan 'iets' kunt ontlenen, op 'iets' kunt baseren. Wat zijn het eigenlijk voor dingen die ontleend, gebaseerd, gefundeerd moeten worden?

Het ligt zo voor de hand: een samenleving functioneert niet zonder regels die botsingen voorkomen en die ons gedrag voor anderen voorspelbaar maken. Voor een deel zijn daar wetten voor. Die zijn in samenspraak vastgesteld en uiterst precies opgeschreven. Wie ze overtreedt, loopt het risico gestraft te worden; de sancties zijn van tevoren bekend. Ook de procedure voor wetsherziening ligt vast.

Daarnaast zijn er ongeschreven regels. Hoe die tot stand kwamen is minder duidelijk, hoe je ze zou kunnen veranderen ook, en de sancties zijn een stuk vager. Maar verder is er een grote overeenkomst: je moet je aan al die regels houden, maar het staat je vrij ze onjuist te vinden en ernaar te streven ze te veranderen.

Wetten en de regels voor het maatschappelijk verkeer hebben iets willekeurigs. Ze hadden best anders kunnen zijn. We zouden ook links kunnen rijden, of elkaar de linkerhand geven, en als we ooit komen in landen waar men andere regels heeft dan passen we ons daar, hoogstens enigszins giechelend, aan aan.

Hoe anders ligt dat bij normen en waarden, althans bij normen en waarden in de morele zin waarin ethici zich daarmee bezighouden. Dat je je moraal zomaar zou aanpassen is onvoorstelbaar. Waarden zijn per definitie dingen waar je vierkant achter staat. Ze kunnen mensen dan ook tot grote moed en prestaties bewegen. Als het regels zijn, dan zijn het regels waar uitzonderlijk veel gezag achter zit, meer dan een juridisch systeem, of een systeem van maatschappelijke gebruiken, ooit bij elkaar kan sprokkelen.

De klassieke gedachte is dan ook dat normen en waarden uit hoger sferen komen: ze worden geacht van God gegeven te zijn, of een van ons onafhankelijk bestaan te leiden in een waardenwereld naast of boven de bekende wereld van feiten en gebeurtenissen. Om ze direct te kunnen kennen moest je over een speciale gevoeligheid, over priesterlijke gaven, beschikken. De leek, die zulke gaven ontbeerde, had een moraal uit de tweede hand.

Maar de klassieke gedachte, die in vele vormen nog steeds wordt aangehangen, postuleert allerlei zaken waarvan het bestaan vrij onvaststelbaar is. Zijn er geen platvloersere interpretaties denkbaar?

Mij doen normen en waarden sterk denken aan allerlei andere voorkeuren waarmee ik door het leven ga. Ik ben dol op gatenkaas, op Perzische klassieke muziek, op mijn zoontje. Iets heroïsch heb ik nooit gedaan - ik ben van na de oorlog - maar mocht het er ooit van komen dan zouden dit soort zaken, en vooral mijn zoontje, mij zeker inspireren. Ik zou het vreselijk vinden te moeten leven in een wereld waarin ze ontbraken. Net zo goed als ik het vreselijk vind om te moeten leven in een wereld waarin mensen elkaar het leven benemen en waarin dieren voor proeven worden gebruikt.

Met kaas en muziek houdt de ethiek zich niet zo bezig, ouderliefde is een grensgeval, maar respect voor medemensen en andere dieren vallen, in elk geval inhoudelijk, zonder twijfel in het 'ethische' domein.

Als ik morele normen en waarden heb, dan zijn zulke normen en waarden voorkeuren. En voorkeuren laten zich niet 'funderen' of 'rechtvaardigen'. Die heb je of je hebt andere. Daar valt van alles en nog wat aan te verklaren, en wellicht kun je daar zelf de evolutie bij gebruiken, maar dat is dan ook meteen het eind van het verhaal.

Ik schreef niet voor niets 'als ik normen en waarden heb'. Er is een verschil tussen mijn soort voorkeuren en de normen en waarden van mensen die de hunne zo graag gefundeerd of gerechtvaardigd zagen. U mag van mij vóór dierproeven zijn. Ik kan me voorstellen dat ik daar in een andere fase van mijn leven ook anders over denken zal. Voorkeuren veranderen.

Gefundeerde normen en gerechtvaardigde waarden echter liggen vast. Wie ze heeft, wil daarin gelijk hebben, en als het even kan nog krijgen ook.

Als normen en waarden niet méér zijn dan voorkeuren dan valt er goed over te praten - zo goed als er te praten valt over kazen, muziek en het bijzondere van kinderen - maar te twisten, te redeneren, te argumenteren, valt er niets.

Soms zijn wij getuige van een 'moreel' debat, over abortus of euthanasie bijvoorbeeld. Maar de term 'debat' is misleidend. In een echt debat verander je van mening omdat de argumenten je overtuigen. In een moreel 'debat' verander je hoogstens van mening omdat je nog eens beter naar allerlei situaties kijkt, en ze 'proeft' - ongeveer zoals je waardering voor Bach verandert doordat je meer van zijn muziek hoort en meer over hem leest. Of die waardering daardoor groter wordt of juist gaandeweg verdwijnt is van tevoren niet te zeggen. Een moreel 'debat' eindigt er dan ook niet mee dat men het eens is. Het stopt omdat men niets meer te zeggen weet, of het graag eens over wat anders zou hebben.

Normatieve ethiek verschilt dus niet van esthetiek (ook al geen wetenschap in de zin van Philipse). Maar daarmee zijn niet alle problemen opgelost. De hier geschetste manier van kijken leidt tot 'moreel relativisme': er is geen onafhankelijke standaard die ons in staat stelt de juistheid van morele waarden vast te stellen; de vraag of gene waarde beter is dan deze wordt er zelfs betekenisloos door.

Mensen die niet zo houden van moreel relativisme zullen dan ook tegenwerpen dat je zo het recht verspeelt op te komen voor onderdrukten, hier of elders. Heldring haalt in zijn Dezer Dagen van 2 februari het voorbeeld aan van de homoseksuelen in Afrika. De context van zijn verhaal is een andere, maar het voorbeeld is ook hier relevant.

Heeft minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) het morele recht om op te komen voor Afrikaanse homo's? Mijn antwoord zou zijn: nee, dat heeft hij niet. Praten over 'morele rechten' is net zoiets als praten over 'esthetische rechten' of 'culinaire rechten'. In dit soort contexten heeft het woord 'recht' geen enkele betekenis.

Pronk kan zich wellicht beroepen op internationale overeenkomsten die hem 'rechten' in een eigenlijke zin des woords geven - alleen, dat was de vraag niet. Maar los daarvan: ik ben heel blij als hij zich inzet voor een betere behandeling van homoseksuelen. Ik leef graag in een wereld waarin mensen kunnen vrijen met de partner van hun (wederzijdse) keuze.

Het zou natuurlijk fijn zijn om die steun kracht bij te kunnen zetten door naar de morele rechten en plichten te verwijzen. Uit retorisch oogpunt is dat soms heel effectief. Maar helaas betekent het niets. En er is één troost: 'jammer' hier is 'gelukkig' elders. Zo'n retorische truc kan soms ook tegen je gebruikt worden en dan is het juist weer heel prettig te weten dat het onzin is. Moreel relativisme verzwakt je eigen stellingname zeker, maar het verzwakt die van mensen met andere smaken evenzeer. Per saldo verandert er dus ook weer niet zó heel veel.

Moreel relativisme staat in een kwade reuk door de angst dat een samenleving zonder gedeelde moraal als los zand uiteen zal vallen. Hoeveel morele diversiteit kan een samenleving zich eigenlijk veroorloven? Niet al te veel, waarschijnlijk. Ook daarin verschilt 'moraal' niet van andere kwesties van smaak. Als iedereen afschuwelijk vindt wat de buren pràchtig vinden lopen de ruzies over geluidsoverlast en verbouwinkjes die het uitzicht bederven snel uit de hand.

Maar aan de vraag hoe verschillend onze waarden nog kunnen zijn zonder dat het ons opbreekt, gaat een andere vooraf: leidt moreel relativisme noodzakelijk tot meer 'morele' diversiteit? Ik denk dat dat zo'n vaart niet lopen zal. Onze voorkeuren mogen dan ongefundeerd zijn, helemaal willekeurig zijn ze niet, zeker niet wanneer ze ons voortbestaan raken.

De meeste mensen houden van zoet, en gegeven de voedingswaarde van zoete dingen in de leefwereld van onze verre voorouders is die voorkeur begrijpelijk. Ik heb nog nooit iemand horen vrezen dat mensen zomaar van alles en nog wat lekker gaan vinden als je ze vertelt dat hun voorkeur voor zoet niet meer is dan een kwestie van smaak. Voor veel van onze 'morele' voorkeuren zal dat niet anders liggen. Een weerzin tegen moord en doodslag vind je ook bij mensen die het leven niet als van God gegeven, of om andere redenen heilig, beschouwen.

Mensen zijn weliswaar tot veel wreed en zinloos geweld in staat, maar je moet ze er wel eerst voor motiveren. De haat tussen Hutu's en Tutsi's, tussen Bosniërs en Serviërs, zit niet zomaar van nature in de mensen. Die is met zorg gekweekt door lieden die garen menen te kunnen spinnen bij maatschappelijke ontwrichting. En het is juist de klassieke absolute moraal die zich goed leent voor zo'n kweek.

Een groeiend moreel relativisme zal zeker morele diversiteit onthullen, maar dat is dan de diversiteit die er al was. Misschien zal het die diversiteit ook nog iets vergroten, maar de kans dat onze gemeenschap daardoor zal worden ontwricht lijkt me niet zo groot. Zeker niet gegeven de evidente voordelen: het verdwijnen van het absolute morele gelijk dat al menige gemeenschap gespleten heeft.