Vliegend wonder

KEES KAPTEYN: Vleermuizen in het landschap. Over ecologie, gedrag en verspreiding

224 blz., geïll., Schuyt & Co en Provincie Noord-Holland 1996, ƒ 59,50

De meeste Nederlanders hebben nog nooit een vleermuis gezien. Wel op de foto of de televisie, maar nooit zelf, buiten, in de tuin of in het park. En toch zijn ze er, volop en in vele soorten.

Van de 4200 soorten zoogdieren zijn er zo'n duizend vleermuis. In soortenaantal worden vleermuizen alleen overtroffen door de knaagdieren. Maar vleermuizen zijn heel uitzonderlijke zoogdieren. Ze kunnen als enige uitstekend vliegen. In rust hangen ze altijd op hun kop (de makers van batman-films zouden daar eens aan herinnerd moeten worden). En behalve de tropische vliegende honden, die een groep op zichzelf vormen (Megachiroptera), maken ze net als dolfijnen gebruik van echolokatie. Ze kunnen, net als menselijke vampiers uit griezelfilms, hun lichaamstemperatuur aanpassen aan de omstandigheden - vleermuizen combineren de voordelen van warm- en koudbloedigheid. En tenslotte bereiken deze mini-diertjes - de kleinste vleermuis weegt zo'n twee gram en is daarmee het lichtste zoogdier - vaak respectabele leeftijden: twintig jaar is normaal, er zijn soorten die gemakkelijk dertig halen.

Wonderlijk genoeg heeft de evolutie er niet lang over gedaan om deze uiterst gespecialiseerde dieren voort te brengen - vijftig miljoen jaar geleden waren ze er al. Deze fossiele vleermuizen verschilden nauwelijks van de moderne, iets wat voor de meeste andere zoogdierfamilies zeker niet geldt.

De laatste jaren is de belangstelling voor vleermuizen sterk toegenomen. Aanvankelijk waren er alleen enkele zonderlingen die op eigen houtje wat aan vleermuizen deden. Zonder een pionier als Leo Bels zou de Nederlandse geschiedenis van het vleermuizenonderzoek pas na de oorlog begonnen zijn. Maar deze eerste onderzoekers konden niet veel anders doen dan vleermuizen ringen en hopen dat ze later teruggevonden werden. Ook werd in de Limburgse grotten bekeken hoe ze op temperatuurveranderingen reageerden.

Door de sterke achteruitgang van de vleermuizen is men met het ringen al in 1957 gestopt. Ook de winterse verstoringen in de grotten werden tot een minimum teruggebracht. De universitaire belangstelling beperkte zich grotendeels tot de fysiologie, in het bijzonder de warmtehuishouding. Een sterke opleving kwam begin jaren tachtig met het verschijnen van betaalbare, draagbare batdetectors, elektronische apparaten die de uitgezonden sonarkreten van de vleermuizen omzetten in hoorbare geluiden. De betere apparaten kunnen de geluiden ook grafisch weergeven.

Eindelijk was het mogelijk vleermuizen in het veld te detecteren. Het geluid in combinatie met het gedrag stelde de waarnemers in staat de soort al in de vlucht vast te stellen. Met de batdetector valt ook met enig zoeken de rustplaats op te sporen. In Nederland bleken veel meer vleermuizen voor te komen dan biologen ooit voor mogelijk hielden. Er ontstonden enthousiaste clubjes van vleermuiswaarnemers en vleermuisbeschermers.

Noord-Holland

Zeer enthousiaste werkgroepen zijn er in Noord-Holland. Kees Kapteyn, werkzaam bij de dienst Ruimte en Groen van de Provincie Noord-Holland, wist zijn provincie zover te krijgen om de inventarisaties van de laatste tien jaren in boekvorm uit te brengen en schreef daar en passant een uiterst leesbaar handboek voor beginners en gevorderden omheen. Het fraai uitgegeven boek (er moet heel wat subsidie in zijn gaan zitten) doet denken aan de wat eigenaardige Engelse vogelgids Seabirds of Britain and the World. Ook Kapteyns Vleermuizen in het landschap heeft zoiets grappigs, het gaat over vleermuizen in Noord-Holland en in de rest van Europa. Het voorkomen in Noord-Holland is in kilometerblokken aangegeven, voor Europa is globaal de verspreiding ingekleurd.

Dat neemt niet weg dat ook de niet-Noordhollande Nederlander het een schitterend boek zal vinden. Zelden is met zoveel enthousiasme en kennis over deze vergeten diergroep geschreven. Na lezing heb je zin om er zelf met de batdetector op uit te gaan. Beter is het natuurlijk contact te zoeken met andere vleermuisliefhebbers, die je kunnen inwijden in de geheimen van batdetector en rustplaatsen. Een lijst met adressen is opgenomen.

In Nederland komen (of liever gezegd kwamen) zo'n vijftien soorten vleermuizen voor, sporadische dwaalgasten niet meegerekend. Nu het onderzoek zoveel gemakkelijker is geworden door elektronische hulpmiddelen - naast de batdetector zijn nu ook lichte zendertjes verkrijgbaar die een sterke vleermuis omgehangen kan krijgen - blijken sommige soorten te bestaan uit sibling species: op het oog ononderscheidbare soorten die toch niet kruisen. Zo blijkt de alomtegenwoordige Dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), die met zijn 3,5 tot 9 gram zijn naam eer aandoet, te bestaan uit twee of misschien wel meer soorten. In Nederland heeft men dat nog niet kunnen vaststellen, maar het is een leuke uitdaging voor de onderzoekers. Ook bij andere soorten bestaan aanwijzingen voor sibling species. Misschien moet het aantal Nederlandse soorten binnenkort worden uitgebreid.

De levenswijze van iedere Nederlandse soort wordt door Kapteyn uitgebreid behandeld, verlevendigd met aardige anekdoten die in aparte kaders worden weergegeven: de schoorsteen van Naarden met zijn kolonie Rosse vleermuizen en Laatvliegers, het overwinteren van Rosse vleermuizen (in boomholten en vaak ver onder nul), en het trekken van de Ruige dwergvleermuis, dreumesen van zo'n 10 gram die meer dan duizend kilometer vliegen om te overwinteren.

Diversiteit

Na de oorlog werden vleermuisonderzoekers erg pessimistisch: vrijwel alle soorten holden in aantallen achteruit. Vergeleken met vroeger jaren warer er bijna geen vleermuizen meer. Maar sinds de introductie van de batdetector begin jaren tachtig blijken vleermuizen toch algemener te zijn dan men was gaan denken, vooral boombewonende soorten bleken algemener. Dit zegt uiteraard niets over de ontwikkeling van het aantal, het zegt vooral wat over de verbetering van de waarnemingsmogelijkheden.

Toch lijkt het erop dat sinds 1985 het aantal vleermuizen weer een beetje aan het groeien is. Ook neemt de diversiteit weer toe. Naast de algemene Watervleermuis (Myotis daubentoni), een vleermuis die zelden in het licht komt en die met zijn poten insekten van het water 'harkt', worden steeds vaker andere soorten waargenomen. Gevolg van het DDT-verbod? Een verbetering van de biotopen? Of worden de waarnemers steeds geroutineerder? Wel maken de vleermuisliefhebbers zich zorgen over de ontwikkelingen in de huizenbouw. Smerige antischimmelmiddelen die bij huidcontact dodelijk zijn, volgeschuimde spouwmuren, platte daken of daken met betonnen dakpannen waar geen vloeitje meer tussen kan - met de nationale kierenjacht werd ook de vleermuis van zijn rustplaats beroofd. Daar staat tegenover dat de overheid vaak bunkers of andere oude gebouwen vleermuisvriendelijk maakt door ze grotendeels af te sluiten.

Wie wat nachtrust over heeft, moet zeker eens meegaan met een vleermuisexcursie. Het is een combinatie van moderne elektronica en pure romantiek: parken bij maanlicht, holle bomen op oude landgoederen, ruïnes, bunkers in de duinen en ongerestaureerde kerken. Er is een bloeiende toekomst weggelegd voor de Nederlandse bat clubs.