Ultra-rechts moet worden verboden

Het blijft behelpen bij de vraag hoe de overheid dient te opereren ten aanzien van extreem-rechtse, racistische partijen. Geen weldenkend mens is gelukkig met het feit dat extreem-rechts haar verwerpelijke ideeën via een demonstratie in Zwolle kon ventileren.

Maar evenzeer moet men de lastige positie van een burgemeester onderkennen, die binnen het raam van de huidige wetgeving niet de beleidsvrijheid heeft om dit soort betogingen a priori, onder alle omstandigheden te verbieden. De burgemeester mag immers niet op inhoudelijke gronden, maar alleen op grond van overwegingen van handhaving van de openbare orde tot een verbod besluiten.

De Wet openbare manifestaties is niet toereikend om extreem-rechtse demonstraties te verbieden en ook niet bedoeld om extreem-rechts de mond te snoeren. Iedere burgemeester kan zijn of haar eigen afweging maken in het wel of niet toestaan van een demonstratie van extreem-rechts op grond van een openbare orde-afweging. De burgemeester van Zwolle heeft wat dat betreft de vinger op de zere plek gelegd.

De onverbloemde boodschap, zoals die in Zwolle ten gehore werd gebracht, is bedreigend voor de samenleving en veroorzaakt grote onrust onder (niet alleen allochtone) bevolkingsgroepen die het doelwit zijn van de partijen die discriminatie tot hun handelsmerk hebben gemaakt.

Het is de vraag wiens belang hier zwaarder weegt: het belang van extreem-rechtse partijen om hun ideeën te mogen verkondigen of het belang van de Nederlandse samenleving (waarvan vele minderheidsgroepen onderdeel uitmaken) om van racistische bedreigingen verschoond te blijven.

Tot op heden is er geen juridische titel om extreem-rechtse en racistische partijen bij voorbaat bepaalde rechten of faciliteiten, zoals zendtijd, subsidiëring van wetenschappelijke bureaus of recht van betoging te onthouden alleen vanwege hun extreem-rechtse ideologie. De marges voor de overheid, die zich moet houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zijn hier heel smal.

Er is in het Nederlands beleid echter ook geen sprake van een begin van een strategie of van een integrale benadering van het verschijnsel extreem-rechts, zoals Jaap van Donselaar vaststelt in zijn recente boek De Staat Paraat.

Bij tijd en wijle werpt een individueel Kamerlid een balletje op over opheffing van parlementaire onschendbaarheid of ontzetting uit het passief kiesrecht. En al jaren geleden deed de commissie-Van den Berg voorstellen over onder meer inperking van de zendtijd voor racistische politieke partijen. Geen van deze zaken heeft een politiek vervolg gekregen.

Het wordt dan ook de hoogste tijd dat de regering wel een duidelijke koers uitzet ten aanzien van racistische partijen. Jarenlang wordt de discussie nu al vooruitgeschoven en wordt slechts gereageerd op incidentele gebeurtenissen. Opvolgende regeringen hebben verzuimd een keuze te maken in de te volgen strategie om deze partijen te bestrijden. Nog steeds tasten we in het duister of het kabinet wel of niet streeft naar een verbod van racistische partijen.

Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie eist van iedere staat racistische bewegingen binnen zijn grondgebied uit te bannen. Politieke partijen wordenn daarbij niet uitgesloten. Het Burgelijk Wetboek geeft het openbaar ministerie de mogelijkheid een verbodsactie in te stellen. Gewapend met strafrechtelijke veroordelingen kan het openbaar ministerie de rechter van de noodzaak van een verbod trachten te overtuigen.

Tot op heden maakt de minister van justitie niet de indruk met kracht en overtuiging op dit doel af te stevenen. De manier waarop in het verleden door het openbaar ministerie is geopereerd bij discriminatiezaken van CD en CP'86 duidt eerder op het tegendeel.

Zolang de extreem-rechtse partijen in ons staatkundig bestel worden geaccepteerd, is bestrijding van deze partijen een lastige zaak. Dan doet zich de hierboven geschetste problematiek van botsing van grondrechten het meest voelen: we kunnen niet enerzijds deze partijen in ons democratisch bestel accepteren en anderzijds hen grondrechten als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van betoging a priori ontzeggen, maar we kunnen evenmin tolereren dat een ander grondrecht, het recht op bescherming tegen discriminatie, door extreem-rechts wordt uitgehold.

Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) en een aantal vertegenwoordigers van politieke partijen gaven er deze week blijk van maar één zijde van deze medaille te zien, toen zij lieten weten niets te voelen voor het op voorhand verbieden van het recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting van rechts-extremisten. Immers, de keerzijde - hoe dan het recht te garanderen om beschermd te worden tegen discriminatie - bleef bij hen buiten beschouwing.

Daarmee wordt de facto een hogere prioriteit toegekend aan het recht op vrijheid van meningsuiting van rechts-extremisten en wordt het recht van hen die met grote regelmaat discriminatie aan den lijve ervaren, miskend. Het kan toch onmogelijk de bedoeling van de grondwetgever zijn geweest om met een beroep op het ene grondwetsartikel het andere buiten werking te kunnen stellen. Het is hoog tijd dat de wetgever aangeeft waar het recht van vrije meningsuiting ophoudt en waar het recht op bescherming tegen discriminatie begint.

Het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie is van mening dat de meest effectieve strategie om paal en perk te stellen aan de voortdurende schending door extreem-rechts van het recht om niet gediscrimineerd te worden, een verbodsactie is tegen die partijen. Justitie en politie dienen met een grotere inzet van middelen te komen tot een dossier van veroordelingen om de rechter om een verbod te kunnen vragen volgens de procedure van het Burgelijk Wetboek.

Tegelijkertijd dient de regering eindelijk met een integrale strategie te komen voor het scheppen van wettelijke instrumenten waarmee het voortdurende misbruik van het recht van vrije meningsuiting en andere rechten door extreem-rechts een halt kan worden toegeroepen.

Met de hier geschetste aanpak tast de regering niet het terecht hoog gewaardeerde goed van bescherming van grondrechten aan. De regering zou daarmee juist voldoen aan en internationale en grondwettelijke plicht, namelijk het garanderen van het grondrecht van grote delen van de Nederlandse bevolking op een effectieve bescherming tegen discriminatie en rassenhaat.